24 december 2024

Willem V van Kleef (Slot)

 


Willem V van Kleef

Willem V (Düsseldorf, 28 juli 1516 – aldaar, 5 januari 1592) was hertog van Kleef, Gulik en Berg, graaf van Mark, heer van Ravenstein (1533-1592), Ravensberg (1539-1592) en hertog van Gelre (1539-1543). Hij werd de Rijke genoemd.

Willem was humanist in de geest van Erasmus en bood bescherming aan humanisten zoals de theoloog en advocaat Konrad Heresbach, de arts Jan Wier, de cartograaf Gerard Mercator en de geleerde Stephanus Pighius.

Willem V van Kleef.

Als enige zoon van hertog Johan III van Kleef volgde hij zijn vader op bij diens dood op 6 ( of 7 februari) 1539. Om zijn heerschappij zeker te stellen trouwde hij in 1541 met Johanna van Albret, een nicht van de Franse koning. Zijn zus Anna van Kleef huwelijkte hij uit aan de Engelse koning Hendrik VIII. Van 1539 tot 1543 regeerde hij over het naastgelegen Gelre. Na het Verdrag van Venlo van 1543 stond hij het - inclusief het graafschap Zutphen - af aan keizer Karel V. Gelre werd een van de Zeventien Provinciën en tevens annuleerde hij zijn huwelijk met Johanna van Albret.

Willem trouwde op 18 juli 1546 in Regensburg met de vijftienjarige Maria van Oostenrijk, dochter van keizer Ferdinand I.

Zij kregen de volgende kinderen:

  • Maria Eleonora (Kleef, 16 juni 1550 – Koningsbergen, 1 juni 1608), huwde op 14 oktober 1573 in Koningsbergen met Albrecht Frederik van Pruisen (Neuhausen, 29 april 1553 – Fischhausen, 28 augustus 1618)
  • Anna (Kleef, 1 maart 1552 – Höchstädt an der Donau, 6 oktober 1632), huwde op 27 september 1574 in Neuburg met Filips Lodewijk van Palts-Neuburg (Zweibrücken, 2 oktober 1547 – Neuburg, 22 augustus 1614) en werd de moeder van Wolfgang Willem van Palts-Neuburg
  • Magdalena (Kleef, 2 november 1553 – Meisenheim, 30 juli 1633), huwde op 4 oktober 1579 in Bad Bergzabern met Johan I van Palts-Zweibrücken (Meisenheim, 18 mei 1550 – Germersheim, 12 augustus 1604)
  • Karel Frederik (1555 – Rome, 1575)
  • Elisabeth (1556 – 1561)
  • Sibylle (26 augustus 1557 – 16 december 1627), huwde op 4 maart 1601 met aartshertog Karel van Oostenrijk (22 november 1560 – 31 oktober 1618), vorst van Burgau
  • Johan Willem (1562-1609)
In 1592 werd Willem V van Kleef begraven in een praalgraf in de Sint-Lambertuskerk in Düsseldorf.

Sint-Lambertuskerk in Düsseldorf

Architect Johann Pasqualini bouwde de crypte als familiegraf. Nadien verkochten kerkbestuurders de loden kisten voor 317 thaler en lieten de uit elkaar gevallen skeletten liggen op de keldervloer. Het schandaal kwam in 1819 aan het licht toen Jacoba von Baden, de schoondochter van Willem V, overgebracht werd naar deze rustplaats. De botten werden herkist en een tegelvloer maakte de ingang van de grafkelder van zo'n drie op vier meter onzichtbaar. In 1856 passeerden er nog eens grafschenners. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte men een houten kader en een zandlaag rond het monument om schade bij bominslagen in te voorkomen. Niettemin raakte de kelder beschadigd. Herstelwerken aan de kerk in maart 1954 lieten toe dat de stadsarchitect Camp naar de kelder zocht. Hij ontdekte er twee geschonden loden kisten in een nis: een kleine kist met het gebeente van Jacoba en een grote met meerdere schedels en veel botten. Het betrof:
  • Willem V van Kleef, Gulik en Berg
  • Zijn zuster Amalia
  • Zijn zoon Johan Willem
  • Zijn voorouder Elisabeth van Berg
Familieleden van zijn kleinzoon Wolfgang Willem van Palts-Neuburg die zelf niet in de kerk lag.
Pathologisch onderzoek identificeerde de resten en stelde dat Willem en Amalia ernstig misvormd raakten in de loop van hun leven, gezien hun verkromde wervelkolom waardoor ze onmiskenbaar chronische pijnen moeten hebben geleden.

In 1543 kwamen Gelre en Zutphen onder direct bestuur van het Heilige Roomse Rijk in de persoon van keizer Karel V die de titel hertog van Gelre verwierf. Bij het Plakkaat van Verlatinghe in 1581 'verlieten' de Gelderse staten de Habsburgse koning-keizer. Gelre bleef nominaal een "hertogdom" maar kreeg geen hertog meer. De hertogelijke macht ging nu naar de Staten van Gelre. Het graafschap Zutphen werd in 1591 volledig opgenomen in het hertogdom Gelre.

Hier eindigt dan ook dit blog. Wellicht over de geschiedenis van Gelderland na het hertogdom later meer. 

Ede, december 2024
Geurt van Steenbeek

23 december 2024

Karel van Gelre

 

Karel van Gelre

Karel van Gelre of Karel van Egmond (Grave, 9 november 1467 – Arnhem, 30 juni 1538), uit het huis Egmond, was van 1492 tot aan zijn dood in 1538 hertog van Gelre en graaf van Zutphen.

Karel van Gelre was de zoon van Adolf van Egmond, hertog van Gelre en graaf van Zutphen, en Catharina van Bourbon. Hij werd geboren in Grave en vanaf 1473 opgevoed onder voogdij van Karel de Stoute en later van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, die hem op 9 april 1486 tot ridder sloeg. Hij overleed in Arnhem en ligt begraven in de Sint-Eusebiuskerk te Arnhem.

Karel was zes jaar oud toen Bourgondische troepen onder leiding van Karel de Stoute Nijmegen onder de voet liepen. Hij werd als gijzelaar meegevoerd en grootgebracht aan het Bourgondische hof. Als jonge ridder vocht hij in het leger van Maximiliaan van Oostenrijk tegen de opstandige Vlaamse steden en tegen de Fransen. Die maakten hem krijgsgevangen en in de jaren aan het Franse hof werd hij omgevormd tot bondgenoot tegen de Bourgondiërs.

De dood van Karel de Stoute, in 1477 bij Nancy, had het einde betekend van het Bourgondische bestuur in Gelre. De Geldersen belastten Adolfs zuster Catharina met het bewind, eerst ten behoeve van de gevangen Adolf en na diens dood (1477) ten behoeve van zijn zoon, de jonge Karel van Egmond, die in 1492 zelf het bestuur aanvaardde nadat hij uit Franse gevangenschap was losgekocht. Bij zijn terugkomst in Gelre werd Karel gehuldigd en als hertog erkend. Zijn gebied bestond op het hoogtepunt uit Gelre, Graafschap Zutphen, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen (op enkele steden na). In 1520 en 1530 noemde Karel zich 'heer van Groningen, de Ommelanden, Coevorden en Drente'.


Portret van Karel van Egmond, hertog van Gelre 
in Museum Arnhem op een 
schilderij van Hendrick Coster uit 1638.

Karel voerde niet het familiewapen uit het Egmondse huis, maar net als zijn vader Adolf het samengestelde wapen met de Gelderse en de Gulikse leeuw. Zij gaven hiermee het bezit of de aanspraken op de landen van Gulik en Gelre aan. Het wapen is te vinden op munten, op de lijst van een portret van Karel, en op zijn graf in de Eusebiuskerk in Arnhem.

Wapen van Karel van Gelre 
op kasteel van Coevorden

Tijdens zijn regering werd de zelfstandigheid van Gelre bedreigd door de Habsburgers in de persoon van keizer Karel V. Karel van Gelre wist zich gesteund door zijn veldheer Maarten van Rossum en kon de ongelijke strijd, die bekendstaat onder de naam Gelderse Oorlogen, nog enige tijd volhouden, maar moest uiteindelijk het hoofd buigen. Dit markeert een belangrijke fase in de vorming van de Nederlandse staat als geografische eenheid. Karel van Gelre was in feite de laatste zelfstandige feodale heerser in de Nederlanden.

Karel bezat een groot politiek inzicht, door zijn tegenstanders als sluwheid gezien, waardoor hij precies wist wanneer hij toe moest geven en vrede sluiten en wanneer hij de gesloten overeenkomst weer kon verbreken. Ook wist hij optimaal gebruik te maken van de Europese machtsverhoudingen door Franse steun in te roepen. Zo trok hij zich niets aan van een bemiddelingspoging van de Duitse vorsten waar hij zelf om had gevraagd, toen de uitkomst daarvan hem niet aanstond: volgens hen had hij juridisch gezien geen recht op de hertogstitel.

In 1502 probeerde Karel van Gelre zich van Huissen meester te maken, een enclave van het hertogdom Kleef. Hij belegerde de stad, maar omdat de Rijn vlak langs Huissen stroomt kon er gevist worden, zodat de Huissenaren geen honger leden. Na een veldslag waarin de Gelderse troepen verslagen werden, was Huissen ontzet. Dit wordt het Beleg en ontzet van Huissen genoemd en wordt nog elk jaar gevierd. (Met het beleg en ontzet van Huissen wordt zowel een historische belegering van de stad Huissen in het jaar 1502 bedoeld als een jaarlijks folkloristisch feest dat deze sindsdien herdenkt. Het beleg van Huissen begon op 26 mei 1502 en het ontzet volgde een maand later, omstreeks 26 juni 1502, en ging vooraf aan de Gelderse oorlogen.)

In 1504 kon Karel niets anders doen dan zich overgeven en vrede sluiten met de Habsburgers in de persoon van Filips de Schone. Deze had in 1502 al Arnhem veroverd. Karel moest zich in het kasteel van Rozendaal vernederen door voor Filips te knielen: de 'knieval van Rozendaal'. Een voorwaarde van de overeenkomst was dat Karel uit Gelre werd verbannen en in Spanje bij het Spaanse hof moest verblijven.

Standbeeld van Karel in Arnhem.

Hij reisde naar Antwerpen om zich in te schepen maar toen de kust in 1505 weer veilig was, omdat Filips naar Spanje was vertrokken, keerde hij weer naar Gelre terug om zijn regering als hertog voort te zetten. Toen Filips in 1506 in Spanje overleed, werd het pokerspel van Karel beloond. In de daaropvolgende jaren wist hij de troepen van Margaretha van Oostenrijk, die door haar vader Maximilaan van Oostenrijk als landvoogdes was aangesteld, te verslaan en Gelre stukje voor stukje terug te veroveren.

In 1513 moesten de Habsburgers hem als hertog erkennen. Het jaar daarna slaagde Karel erin, door soldaten de stad binnen te smokkelen, Arnhem terug te veroveren.

In 1515 besteeg Karel V de troon van Spanje en kreeg Karel van Gelre het moeilijk. Maar door het bondgenootschap met Frankrijk en de strijd die de Habsburgers op andere fronten moesten leveren kon Karel het lang volhouden. In 1522/1523 wist hij Groningen, Drenthe en Friesland onder zijn invloed te brengen. Zijn legerleider Maarten van Rossum plunderde in 1528 zelfs Den Haag, maar daarmee ging hij volgens Karel V en Margaretha van Oostenrijk over de schreef. Zij brachten een grote troepenmacht op de been en nog in datzelfde jaar werd de voor Gelre ongunstige Vrede van Gorinchem voorgelegd, die overigens niet werd getekend. Gelre werd wederom onder druk gezet en in 1536 werd nagenoeg hetzelfde verdrag wederom voorgelegd als het Verdrag van Grave, dat als grootste verschil had dat het niet de passage bevatte waarin werd vastgelegd dat de gebiedsdelen terug zouden gaan naar de Roomse keizer als de hertog van Gelre kinderloos zou sterven (een belangrijk punt natuurlijk, daar hertog Karel van Gelre geen wettige kinderen had).

Karel trouwde op 7 december 1518 in Celle met Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg (1494 - Geldern, 1572) uit het huis Welfen, dochter van hertog Hendrik VII van Brunswijk-Lüneburg en Margaretha van Saksen. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Karel van Gelre in de Eusebiuskerk te Arnhem

In 1538 stierf een verlaten en verbitterde Karel van Gelre in zijn hertogelijke residentie op de markt in Arnhem. Gelre kwam vervolgens toe aan hertog Willem van Kleef. Deze werd echter in 1543 bij het Traktaat van Venlo gedwongen het hertogdom af te staan aan Karel V. Dat was tegen de afspraak; maar met het wegvallen van Karel van Gelre en diens bekwaamheid in politieke en militaire aangelegenheden restte Willem V van Kleef niet veel meer dan zich terug te trekken naar Gulik en Kleef.

Men kan de strijd van Karel tegen de Habsburgers als de voorloper van de Tachtigjarige Oorlog zien. Immers, de strijd van lokale heersers tegen verre buitenlandse overheersers, die ook nog voortvloeide uit de Hoekse en Kabeljauwse twisten, werd in de Opstand voortgezet. Net als Willem van Oranje overigens was Karel tolerant jegens andersgelovigen.

Karel had uit zijn huwelijk geen kinderen. Wel zijn van hem een aantal bastaardzonen en bastaarddochters bekend.

  • Karel 'de Oude' bastaard van Gelre (ca. 1508-1568) bij Anna van Roderlo (†1539), stadhouder van Groningen, heer van Coldenhove in de Veluwe (1539), vluchtte als Zwingliaan naar het goed Reichenberg bij Danzig, in 1548 oorlogshoofdman van de stad Danzig. Gehuwd 1. in 1545 met Elizabeth Buning, 2. op 5 juni 1565 met Maximiliana van Arenberg, bastaarddochter van Johan van Ligne, graaf van Arenberg en stadhouder van Friesland, met wie hij nakomelingen had. Zijn moeder huwde in 1517 met Hendrik van Steenbergen.
  • Catharina bastaarddochter van Gelre (ca. 1511 - Slot Heukelom, 1601) van Johanna van Rietwijck, huwde 25 september 1532 met Walraven van Arkel († 1557) heer van Waardenberg, zoon van Otto van Arkel en Walravina van Broekhuizen. Haar moeder huwde in 1517 met Joost van Swieten.
  • Karel 'de Jonge' bastaardzoon van Gelre (ca. 1515-21 januari 1576), heer van Spankeren (1538), huwde op 4 mei 1538 met Fenne van Brockhuysen († 1592/98) met wie hij nakomelingen had. Hij kreeg bij zijn huwelijk van zijn vader Geldersweert geschonken.
  • Peter bastaardzoon van Gelre († Kampen februari 1566), in de gravenvete van 1535 hoofdman van een Lübeck-Oldenburgs vendel, had een dochter
  • Adolf bastaardzoon van Gelre († na 1549). Hij verkocht in 1544 zijn rechten aan de tienden in Groot-Driel.
  • Anna bastaarddochter van Gelre († voor 1568), huwde 1. in 1520 met Adriaen van Buren († 1527) heer van Aldenhaag, ambtman in Nederbetuwe, richter van Tiel; 2. met Claes Vijgh tot Blankenburg († 1595), heer van Est, ambtman in de Nederbetuwe. Kocht Aldenhagen van zijn stiefdochter Elisabeth van Buren.

22 december 2024

Catharina van Egmont

 


Catharina van Egmont

Nadat Adolf van Egmond een paar maanden het gezag van Karel de Stoute had overgenomen, sneuvelde hij tijdens het Beleg van Doornik. In zijn afwezigheid had hij Catharina van Egmont aangewezen als regentes.

Catharina van Gelre (ca. 1440 – Geldern, 25 januari 1497) was regentes van het hertogdom Gelre. Ze was dochter van Arnold van Egmont (1410-1473), hertog van Gelre, en Katharina van Kleef (1417-1479). Catharina van Gelre bleef ongehuwd.

Van de vier kinderen van hertog Arnold en zijn vrouw Catharina die de volwassen leeftijd bereikten, was Catharina de jongste. Over de eerste 35 jaar van haar leven is weinig bekend. Haar levensloop was lange tijd onopvallend in vergelijking met die van haar broer Adolf (1439-1477), die een staatsgreep tegen zijn vader pleegde, of haar zus Maria van Egmont-Gelre (1433-1463), die huwde met koning Jacobus II van Schotland en als koningin-weduwe een rol in de Schotse politiek speelde. Haar zus Margriet (1436-1486) geniet nog enige bekendheid als echtgenote van graaf Frederik I van Palts-Simmern. Catharina daarentegen bleef ongehuwd. Over mogelijke huwelijkskandidaten weten we niets, al schijnt haar vader wel pogingen ondernomen te hebben om ook voor zijn jongste dochter een geschikte echtgenoot te vinden. Toen de berooide hertog in 1473 zijn testament liet opmaken, regelde hij daarin nog een bruidsschat voor Catharina – inmiddels 33 jaar oud: een duidelijke aanwijzing dat een huwelijk werd gewenst, maar nog niet was geregeld.

Het is waarschijnlijk die ongehuwde staat van Catharina de aanleiding heeft gegeven tot de fantastische verhalen die sinds het begin van de zeventiende eeuw in de genealogische literatuur opduiken over een geheim huwelijk met Lodewijk van Bourbon. Hij was een broer van Catharina van Bourbon, echtgenote van Catharina's broer Adolf, en werd vooral bekend als bisschop van Luik (1456-1482). Het staat vast dat Lodewijk drie natuurlijke zonen had, maar over de identiteit van hun moeder(s) bestaat geen zekerheid. Over persoonlijke contacten tussen Lodewijk en Catharina is niets bekend, maar ongetwijfeld moeten zij elkaar weleens hebben ontmoet. De mythe van het geheime huwelijk wordt gevoed door de omstandigheid dat we niet weten waar Catharina tussen 1465 en 1473 was en wat zij in die tijd deed. Eigentijdse Gelderse en Luikse bronnen bevatten echter geen enkele aanwijzing voor de vermeende relatie, echtelijk of buitenechtelijk.

Enige duidelijkheid over Catharina's levenswandel is er pas vanaf 1477, toen het hertogdom Gelre een ernstige politieke crisis doormaakte. Na het overlijden van haar vader had de Bourgondische hertog Karel de Stoute in de zomer van 1473 het hertogdom Gelre voor zich opgeëist en bezet. De Gelderse erfopvolger Adolf hield hij al sinds 1471 gevangen. Toen Karel in januari 1477 was gesneuveld in de slag bij Nancy, stortte het Bourgondische gezag in Gelre ineen. De standen (bannerheren, ridderschap en steden) namen voorlopig het bestuur op zich. Adolf was weliswaar na de dood van Karel de Stoute vrijgekomen, maar hij bleef voorlopig in Vlaanderen om Karels dochter Maria van Bourgondië bij te staan bij het herstel van haar gezag in Vlaanderen. Toen Maria hem vervolgens tot kapitein-generaal van haar troepen in Vlaanderen benoemde, werd zijn spoedige terugkeer nog minder waarschijnlijk.

Vanwege deze omstandigheden deden de Gelderse standen een dringend beroep op Adolf om zijn ongetrouwde zuster Catharina als regentes aan te stellen. Het kostte de standen de nodige overredingskracht voordat Adolf en Catharina met dit voorstel instemden, want geen van beiden toonde enthousiasme en de onderhandelingen namen enkele maanden in beslag. Catharina was in die tijd bij haar zus Margriet in Simmern (Duitsland). Op 3 mei 1477 arriveerde Catharina per schip in Lobith, waarna ze het voorlopige regentschap op zich nam in afwachting van de terugkeer van Adolf. Bij de uitoefening van haar taak stond zij in regelmatig contact met haar broer.

Catharina's tijdelijke regentschap zou langer duren dan verwacht. In de loop van augustus werd duidelijk dat Adolf op 27 juni voor de poorten van Doornik was gesneuveld. Adolf had twee nog minderjarige kinderen, Karel en Philippa, maar ook zij bevonden zich sinds 1473 in Vlaanderen in handen van de Bourgondische autoriteiten. Er was weinig kans dat zij op korte termijn naar Gelre zouden terugkeren. Voor Catharina zat er niet veel anders op dan haar regentschap voort te zetten, nu uit naam van haar neef, de erfopvolger Karel.

De dood van Adolf bood nieuwe kansen aan de pro-Bourgondische krachten in Gelre, die zich hadden verenigd in de Egmontse partij, zo genoemd naar de leider Willem IV van Egmont, broer van wijlen hertog Arnold. Om zich tegen de Bourgondische dreiging te kunnen weren zocht regentes Catharina steun buiten Gelre. De standen stuurden eerst aan op een toenadering tot hertog Johan I van Kleef, die echter in de ogen van Catharina te pro-Bourgondisch was. Toen de stad Arnhem in maart 1478 in handen van de Egmontse partij viel, werd de toestand zorgelijk, te meer omdat Maria van Bourgondië inmiddels haar positie had versterkt door te trouwen met Maximiliaan van Oostenrijk. Onder druk van de omstandigheden sloten de Gelderse standen vervolgens een akkoord met hertog Frederik van Brunswijk-Lüneburg, die zou optreden als 'voorstender' van het hertogdom. Om de band met de nieuwe beschermheer te verstevigen drongen de standen er tevergeefs op aan dat Catharina met hem zou trouwen. Maar zoals haar tijdgenoot de kroniekschrijver Willem van Berchen opmerkt, liet zij zich daartoe niet overhalen. Toen Frederik een jaar later krankzinnig werd, was zijn rol uitgespeeld. Hierna stelden de standen Hendrik III van Schwarzburg, bisschop van Prinsbisdom Münster, voor zes jaar aan tot voogd van Gelre aan.

Eind 1479 trok Catharina zich terug uit de actieve politiek. Ze sloot een vredesakkoord met Maximiliaan, die haar als beloning de stad en het ambt Geldern (toen deel van Gelre, tegenwoordig Duitsland) in vruchtgebruik gaf. In 1480 sloot ze zich nog aan bij een verbond dat de Gelderse standen met koning Lodewijk XI van Frankrijk tegen Maximiliaan hadden gesloten. Ze ondernam toen ook een reis naar Frankrijk om steun te zoeken voor de Gelderse zaak. Maar het mocht niet baten: daadwerkelijke hulp kreeg ze niet en Maximilaan veroverde steeds meer delen van Gelre. Toen het kwartier van Zutphen zich in juli 1481 aan Maximiliaan onderwierp, werd Catharina nadrukkelijk van het vredesverdrag uitgesloten. De bisschop van Münster trok in 1482 zijn handen van Gelre af. Het pleit was voorlopig ten gunste van Maximiliaan beslecht.

Catharina had zich inmiddels weer verzoend met Maximiliaan en leidde een teruggetrokken leven op de burcht van Geldern. Wel bleef ze zich inzetten voor de terugkeer van haar neef Karel, die uiteindelijk in 1492 als hertog kon worden ingehuldigd, doordat Maximiliaan zich toch niet in Gelre had kunnen handhaven. Karel vroeg zijn tante in 1494 nog of zij tijdelijk als zijn stadhouder wilde optreden in verband met een geplande reis naar Frankrijk, maar ze weigerde.

Grafplaat van Catharina van Gelre 
in de parochiekerk te Geldern 

Op 25 januari 1497 overleed Catharina van Gelre op de burcht te Geldern. Ze werd begraven in de parochiekerk. De grafkelder en de messing grafplaat met haar gegraveerde afbeelding zijn nog aanwezig. Haar openbare leven beperkte zich voornamelijk tot de jaren vanaf 1477, toen zij al tegen de veertig liep. Weinig is er bekend over haar privéleven, omdat bronnen dienaangaande vrijwel geheel ontbreken. Wat rest is het beeld van een zelfstandige vrouw die zich uit plichtsbesef inzette voor de belangen van haar dynastie en het hertogdom Gelre.



21 december 2024

Karel de Stoute

 


Karel de Stoute

Karel de Stoute (Dijon, 10 november 1433 – Nancy, 5 januari 1477) was hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg en Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Artesië, Bourgondië, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen, heer van Mechelen. In 1472 werd hij bovendien hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Hij was de zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal.

De bijnaam, de Stoute (in het Frans: le Téméraire of le Hardi), in België en Frankrijk pas gangbaar sinds de periode van de romantiek, betekent "de stoutmoedige" of "de roekeloze". Door de kroniekschrijvers van zijn tijd werd deze bijnaam nog niet systematisch gebruikt. In de kronieken van zijn tijdgenoten heette hij meestal gewoon Karel van Bourgondië. Zijn tijdgenoten noemden hem soms ook "le guerrier" (de krijger), of "le Terrible" (de verschrikkelijke).

Karel werd in 1433 in Dijon geboren als derde kind (de eerste twee, Anton en Jodocus, stierven op jonge leeftijd) uit het huwelijk tussen hertog Filips de Goede en Isabella van Portugal.

Karel werd opgevoed onder leiding van Jean d'Auxy, een adviseur van zijn vader, afkomstig uit Artesië. Al vroeg toonde Karel een grote interesse voor wetenschappelijke studies en oefeningen in het hanteren van wapens. Hij had ook belangstelling voor literatuur en voor de kruistochten. Hij las de Griekse schrijver Xenophon en in zijn jeugd een biografie van Alexander de Grote. Net als Filips de Goede bewonderde hij deze Macedonische veldheer en koning. Hij sprak meerdere talen, met name Frans, Diets (de oude benaming voor de volkstaal in Vlaanderen en Brabant), Italiaans, Latijn en Engels. Karel had alle belangrijke historische en politieke teksten in het Latijn gelezen die toen beschikbaar waren. Hij waardeerde muziek, schreef liederen en speelde harp.

Karel de Stoute.

Karel trouwde drie keer:

  • Op 19 mei 1440 met Catharina van Valois, dochter van koning van Frankrijk, Karel VII
  • Op 30 oktober 1454 met Isabella van Bourbon, dochter van hertog Karel I van Bourbon. Met haar had hij een dochter: Maria van Bourgondië.
  • Op 3 juli 1468 met Margaretha van York, zus van de Engelse koning Eduard IV van Engeland, te Damme in het huis van baljuw Eustachius Wyts. Het huwelijksfeest te Brugge is beschreven in Die Excellente Cronicke van Vlaenderen door Anthonis de Roovere (uitgave Vorsterman, 1532).
Nadat Karel de Stoute het stadje Neuss van juli 1474 tot juni 1475 had belegerd, trad keizer Frederik III in onderhandeling met Karel. Tijdens deze onderhandelingen werd het huwelijk van Maria met Maximiliaan gepland.

In 1471 viel hij het hertogdom Gelre binnen om hertog Arnold te steunen tegen zijn zoon Adolf van Egmond. Adolf werd gevangengezet en om hem te onterven duidde Arnold Karel aan als wettige erfgenaam van Gelre en het bijhorende graafschap Zutphen. Deze twee titels zouden hem door keizer Frederik III zelf worden toegekend in Trier.

Karel was een verwoed krijgsheer, bijna constant was hij bezig met oorlogen in buurlanden of het (wreedaardig) neerslaan van opstandige vazallen. Zijn roekeloze gedrag, vooral naar het einde van zijn leven toe, werd door sommigen dan ook gezien als een geestelijke afwijking. Karel ambieerde een rijk dat zich uitstrekte van de Noordzee tot de Middellandse Zee, gebaseerd op het oude koninkrijk van Lotharius. Naast de gebieden die hij zelf in bezit had, waren tal van vazallen leenhulde aan hem verplicht.

Karel sneuvelde op 5 januari 1477 tijdens de Slag bij Nancy. Hij vluchtte naar een bevroren vijver, toen bleek dat zijn leger aan de verliezende hand was. Het ijs kon het gewicht van de ruiter en het paard niet dragen en brak. Karel riep naar een soldaat op de oever: Red de hertog van Bourgondië! Deze soldaat echter (volgens de overlevering de Lotharinger Claude Bausmont), interpreteerde de uitroep als leve de hertog van Bourgondië, nam Karel voor een gewone Bourgondiër en sloeg hem neer met een slag van zijn zwaard.

Zijn lichaam werd twee dagen later pas teruggevonden. Hoewel hierover nog altijd onduidelijkheid bestaat, zou zijn gezicht al zijn aangevreten door wolven en waren zijn wapenrusting en kleren geroofd. Identificatie van de hertog moest plaatsvinden aan de hand van de littekens op zijn lichaam die bij zijn lijfarts bekend waren. Hij werd met veel ceremonie begraven in de collegiale Sint-Joriskerk (Saint Georges) te Nancy.

20 december 2024

Arnold van Egmont 2e keer



Arnold van Egmont 2e keer

 De opvolger van Filips, Karel de Stoute, herstelde Arnold in zijn gezag in 1471 en Adolf werd gevangengenomen in Hesdin. Arnold verpandde vervolgens Gelre en Zutphen voor driehonderdduizend goudguldens aan Karel de Stoute, en erkende Karel tevens als erfgenaam. De Staten van Gelre erkenden echter na Arnolds dood diens zoon Adolf als erfgenaam. Karel de Stoute bezette hierop Nijmegen en Zutphen en lijfde de gebieden bij zijn rijk in.

Het is een korte episode deze keer. Volgende keer weer wat uitgebreidere informatie.

19 december 2024

Adolf van Egmond

 


Adolf van Egmond

Adolf van Egmond (Grave, 12 februari 1438 – Doornik, 27 juni 1477) was hertog van Gelre (uit het huis Egmond) vanaf 1465 tot 1471 en in 1477. Hij was een zoon van Arnold van Egmond, hertog van Gelre, en Katharina van Kleef.

Adolf werd in 1438 geboren in Grave. Zijn vader, Arnold, maakte zich tijdens de Tweede Gelderse Successieoorlog (1423–1444/8) weliswaar meester van het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen, maar werkte zich daarbij en in de nasleep ervan diep in de schulden, zodat hij een groot deel van zijn bezittingen moest verpanden. Door zijn wanbestuur brak in vrijwel geheel Gelre protest uit tegen Arnold na de Gelderse nederlaag in de slag bij Linnich (1444). Hij zag zich gedwongen om in 1449 alle eisen van de steden en kwartieren in te willigen, in 1450 het bestuur tijdelijk over te laten aan zijn vrouw Katharina van Kleef en 16 raadslieden en op 'bedevaart' naar Rome en Jeruzalem te gaan. Toen hij in 1452 terugkeerde, waren de staatsfinanciën nog steeds een puinhoop. Bovendien mengde hij zich op onbezonnen wijze in Münsterse Vete (1450–1457) ten gunste van Koenraad van Diepholt en in de Utrechtse Oorlog (1456-1458) ten nadele van David van Bourgondië, waardoor hij in conflict raakte met de Bourgondische hertog Filips de Goede, de broer van de moeder van Arnolds vrouw Katharina. Tijdens het beleg van Deventer (1456) ontmoetten Katharina en Filips elkaar in Deventer, waar zij waarschijnlijk hebben overlegd hoe er in Gelre een pro-Bourgondische opstand kon worden ontketend tegen Arnold, die dan zou worden opgevolgd door zijn zoon Adolf.

Adolf van Egmond

Filips de Goede hitste de Gelderse steden op om Arnold niet langer te gehoorzamen en Adolf als hertog te erkennen, en beloofde Bourgondiës steun aan iedereen die in opstand kwam. Nijmegen deed dit als eerste, gevolgd door andere steden, terwijl Adolf zich met hulp van zijn moeder Katharina aan het hoofd van de opstand plaatste. In 1459 brak de oorlog uit. Adolf nam spoedig de steden Venlo, Arnhem, Wageningen, Zutphen en andere kleine steden in. Arnold had echter nog veel trouwe volgelingen onder de ridders, waaronder zijn broer Willem IV van Egmont, die het beleg voor Venlo sloeg waar Adolf zich verschanst had. Adolf gaf zich over en verzoende zich in oktober 1459 weer met zijn vader.

Wapen van Adolf van Egmond

In 1465 zette Adolf met hulp van Filips de Goede zijn vader gevangen en werd zelf hertog, gesteund door de steden. De paus excommuniceerde Adolf, terwijl Willem van Egmont, de meeste ridders en de hertog van Kleef trouw aan Arnold bleven. Er volgde een nieuwe oorlog waarbij Willem Arnhem veroverde, terwijl Roermond en het Overkwartier Adolf in juni 1466 erkenden. Adolf belegerde Arnhem tevergeefs en moest het beleg opbreken toen het Overkwartier werd binnengevallen door Kleefse troepen. Daar won Adolf op 23 juni 1468 de slag bij Straelen tegen Kleef. In december 1468 kwam het na bemiddeling van graaf Vincent van Meurs tot een vredesverdrag, waarbij Adolf Arnhem terugkreeg. Adolf regeerde Gelre voor drie jaar.

Karel de Stoute was Filips de Goede in 1467 opgevolgd. Om Gelre in zijn macht te krijgen koos hij partij voor Arnold en dwong Adolf in 1471 om zijn vader vrij te laten, waarna Karel op zijn beurt Adolf gevangennam in Hesdin. Arnold werd hersteld als hertog, maar de steden en ridders van de kwartieren van Nijmegen, Arnhem en Zutphen bleven Adolf trouw, sloten een verbond (27 juli 1471) en voerden oorlog tegen Arnold, die alleen in het Overkwartier werd erkend. Paus Sixtus IV bemoeide zich ermee ten gunste van Arnold (maart 1472), maar de Benedenkwartieren bleven hardnekkig en stelden Vincent van Meurs als voogd aan totdat Adolf weer vrij zou komen. Tot slot sloot Arnold in december 1472 een verdrag met Karel: hij verpandde Gelre en Zutphen aan hem voor 300.000 gulden, op voorwaarde dat Karel de landen gewapenderhand zou veroveren, al zijn schulden afbetalen en nog een extra geldsom daarbovenop aan Arnold zou geven. Kort daarop stierf Arnold op 23 februari 1473 te Grave aan een beroerte. Karel de Stoute bereidde daarop een grootscheepse invasie voor en trok in maart 1473 Gelre binnen, belegerde Venlo en Nijmegen, waarna de meeste andere steden zich al snel overgaven en Gelre en Zutphen werden toegevoegd aan de Bourgondische Nederlanden.

Na de dood van Karel de Stoute in januari 1477 verviel zijn rijk in chaos. De Bourgondische Successieoorlog brak uit, terwijl in Gelre een nieuwe anti-Bourgondische opstand uitbrak onder leiding van Adolfs zus Catharina van Egmont. Tijdens de chaos werd Adolf bevrijd door de Vlamingen. Karels dochter en erfgename Maria van Bourgondië probeerde twee vliegen in een klap te slaan en beloofde Adolf dat hij weer hertog van Gelre mocht worden als hij haar hielp om de Franse invasie te keren. Adolf en de Gelderse rebellen stemden hiermee in, terwijl Catharina als regentes werd aangesteld in zijn afwezigheid. Adolf sneuvelde echter op 27 juni 1477 als aanvoerder van een Vlaams leger tijdens het Beleg van Doornik (1477), nadat de Staten van Gelre hem opnieuw als hertog hadden erkend. Hij werd in Doornik begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.

Hij werd in 1461 gekozen tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies.
Adolf trouwde op 28 december 1463 in Brussel met Catharina van Bourbon (1440–1469), dochter van hertog Karel I van Bourbon en Agnes van Bourgondië. Zij kregen twee kinderen:

  • Filippa (1467–1547), gehuwd in 1485 met hertog René II van Lotharingen (1451–1508)
  • Karel (1467–1538), de latere hertog van Gelre, gehuwd in 1518 met Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg (1494–1572), dochter van hertog Hendrik VII van Brunswijk-Lüneburg.
Catharina van Bourbon is op 21 mei 1469 in Nijmegen overleden. Adolf is daarna niet meer hertrouwd. Wel had hij diverse relaties waaruit zes gekende biologische kinderen zijn geboren.





18 december 2024

Arnold van Egmond

 


Arnold van Egmont

Arnold van Egmont (Egmond-Binnen, 14 juli 1410 – Grave, 23 februari 1473) was van 1423 tot 1465 en van 1471 tot zijn dood in 1473 hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Hij was de oudste zoon van Jan II, heer van Egmont en Maria van Arkel. Tot 1436 stond hij onder de voogdij van zijn vader.

Arnold van Egmont

Hertog Reinoud IV stierf kinderloos in 1423. Daarop kozen de Staten van Gelre de kleinzoon van diens zus, de dertienjarige Arnold van Egmont, als nieuwe hertog. Koning Sigismund beleende echter niet hem, maar Adolf van Gulik-Berg met het hertogdom. De strijd die hierop volgde staat bekend als de Tweede Gelderse Successieoorlog. Een periode van relatieve rust tussen 1441 en 1456 kon niet voorkomen dat Arnold in 1465 met de hulp van hertog Filips de Goede van Bourgondië gevangen werd genomen door zijn zoon Adolf.

Arnold van Egmont huwde op 26 januari 1430 in Kleef met Katharina van Kleef, dochter van hertog Adolf I van Kleef. Zij kregen de volgende kinderen:

  • Maria (tussen 1429 en 1434 – 1463), huwde met Jacobus II van Schotland
  • Willem (* 1434, † jong)
  • Margaretha (1436 – Simmern 2 november 1486), huwde op 16 augustus 1454 te Lobith met Frederik I van Palts-Simmern (24 april 1417 – Simmern 29 november 1480)
  • Adolf (1439 – 1477), hertog van Gelre 1465 – 1471 en 1473 – 1477
  • Catharina van Gelre (1439 – 1496), regentes van Gelre 1477-1481

Tweede Gelderse Successieoorlog

De Tweede Gelderse Successieoorlog was een successieoorlog die van 1423 tot 1448 woedde in het hertogdom Gelre.  Aanleiding was het overlijden van hertog Reinald IV van Gelre en Gulik, die geen wettige kinderen had. De steden en ridderschap van Gelre en Zutphen verkozen als hertog van Gelre de 13-jarige Arnold van Egmont, de kleinzoon van zijn zus Johanna van Gulik. Maar in Gulik werd Adolf van Berg, de kleinzoon van Reinalds oom Gerard van Berg, ingehuldigd als hertog van Gulik. Adolf maakte ook aanspraken op Gelre, terwijl Jan van Egmont, die namens zijn minderjarige zoon Arnold voorlopig als ruwaard het Gelderse bewind voerde, ook aanspraken maakte op Gulik.

Rooms-koning Sigismund beschouwde Gelre en Gulik als in 1423 terug aan het Rijk vervallen lenen, die tegen betaling van 14.000 gulden in 1424 werden aangeboden aan Arnold als nauwste verwant van Reinald IV. Arnold had echter moeite het geld bijeen te brengen en Sigismund deed het jaar daarop Adolf hetzelfde bod, die het aanvaardde. De Gelderse steden en ridders weigerden Adolf echter als hertog te erkennen, en nadat Adolf hierover bij de rooms-koning had geklaagd, werden Arnold en zijn onderzaten in 1430 bij Sigismund ontboden, maar omdat zij niet kwamen opdagen kreeg Arnold in 1431 de rijksban. Maar zelfs nadat in 1434 paus Eugenius IV, het concilie van Bazel en de inmiddels keizer geworden Sigismund hun steun hadden uitgesproken voor Adolf van Berg, bleef Arnold stug in het Gelderse zadel zitten en zijn aanspraken op Gulik volhouden, ondanks de vele geldproblemen en conflicten met de Staten die hem dit opleverde.

Adolf streed vergeefs tegen Arnold om het Gelderse deel van Reinalds erfenis op te eisen, tot hij in 1437 overleed. Gerard van Gulik-Berg volgde zijn oom op als Gulikse hertog en zette de oorlog tegen Gelre voort, en won zelfs de slag bij Linnich (3 november 1444), maar dit was onvoldoende. Ten slotte verkocht hij zijn aanspraken op Gelre aan de Bourgondische hertog Filips de Goede in 1448. Dit betekende het einde van de successieoorlog, al zou Filips de Goede enkele jaren later zijn aanspraken op Gelre doen gelden en het Arnold weer moeilijk maken. Hiermee werd ook de personele unie Gelre-Gulik van 1393 weer verbroken. Al zou Arnold zijn aanspraken op Gulik nooit opgeven, had hij niet de middelen om te trachten deze gewapenderhand op te eisen, zeker toen zijn zoon Adolf van Egmont en Filips de Goede in 1465 gemene zaak tegen hem maakten.

17 december 2024

Reinoud IV van Gelre

 

Reinoud IV van Gelre

Reinald van Gulik (of Reinoud IV van Gelre) (rond 1365 - Terlet bij Arnhem, 25 juni 1423) was een zoon van hertog Willem II/VII van Gulik († 1393) en Maria van Gelre († 1397), dochter van Reinoud II, Hertog van Gelre.

In 1402 volgde hij zijn kinderloos overleden broer hertog Willem I van Gelre op als hertog van Gulik en Gelre. Samen met de Wittelsbachers poogde hij tevergeefs de invloed van Bourgondië in de Nederlanden af te zwakken. Zijn poging in 1406 om aanspraak te maken op Brabant en Limburg mislukte. Reinoud verbond zich met Rooms-koning Ruprecht en had ook goede relaties met het huis van Orléans. Hij steunde Johan van Arkel in zijn strijd tegen Holland en kreeg daarvoor Gorinchem. Hierdoor barstte opnieuw strijd los tegen Holland, hetgeen ermee eindigde dat Holland Gorinchem afkocht voor een belangrijke som geld. Ook de stad Emmerik moest Reinoud op basis van vroegere afspraken afstaan aan Kleef. Wegens zijn omvangrijke schulden moest hij de standen steeds meer privileges en medebestuur toestaan.

In 1409 sloot hij een verbond met Jan V van Arkel om het Land van Arkel onder leenschap van Gelre te plaatsen in ruil voor politieke en militaire steun tijdens de Arkelse Oorlogen met Holland. Er volgde een twee jaar durende oorlog met Holland en het leenschap werd uiteindelijk teruggekocht en de vrede was bezegeld met Willem VI van Holland. In 1422 bezette hij Arkel opnieuw, maar hij moest vrede sluiten en de ingenomen bezittingen opnieuw afstaan.

Hij huwde 5 mei 1405 met Maria van Harcourt (Maria van Gelre, † in of na 1428 maar voor 1434, begraafplaats onbekend), dochter van graaf Jan VI van Harcourt en Aumâle (1342-1388) en Catharina van Bourbon († 1427). Hij stierf zonder wettige kinderen. Van Reinald zijn zes bastaardzonen en -dochters bekend:

  • Willem van Gulik-Wachtendonk (1395-1439), verwekt bij met Maria van Brakel, vrouwe van Batenburg (1413-1432), erkend op 13 december 1416
  • Wilhelm († 1421), abt van de abdij Gladbach, pastoor in Kaldenkerken
  • Eduard van Bell, heer van Haps (1419), pandheer in Uerdingen (1447), ambtman in Hülchrath (1473), in 1410 gehuwd met een dochter van Willem van Arnhem, op 1 mei 1418 in tweede huwelijk met Stina Schall van Bell dochter van Gerard Vogt van Bell en Elisabeth Scherffgin
  • Reinoud van Gulik (* Weisweiler 1410-/1436), huwelijk rond 1415 met Alveradis van Disternich († na 1 mei 1418), stamvader van het 'adelsgeslacht van Gulik'.
  • Aleid
  • Alverade

Reinoud overleed op 25 juni 1423 bij Terlet in de buurt van Arnhem terwijl hij onderweg was naar zijn versterking Kasteel Rosendael. Hij werd bijgezet in het klooster Monnikhuizen. In Gulik werd hij opgevolgd door Adolf van Berg, zoon van Reinouds neef Willem II van Berg. In 1426 hertrouwde Reinouds vrouw Maria van Harcourt met Adolfs zoon Rupert, maar deze overleed zonder erfgenaam in 1431 en het graafschap Gulik werd toen overgedragen aan Adolfs neef Gerard van Gulik-Berg. In Gelre werd hij opgevolgd door zijn achterneef Arnold van Egmond een keuze die betwist werd door Adolf van Berg en Jan van Loon waar ook een oorlog uit voortkwam, echter werd de keuze voor van Egmond ook ondersteund door de hofraad en ook de stadsbesturen uit de vier kwartieren van het Hertogdom Gelre.

16 december 2024

Willem I van Gelre

Willem I van Gelre

Willem I/III van Gelre (5 (?) maart 1364 - Arnhem, 16 februari 1402) was vanaf 1371/1377 als Willem I hertog van Gelre en vanaf 1393 als Willem III hertog van Gulik en was tevens ridder in de orde van de Kouseband. 
De Orde van de Kousenband is de hoogste ridderorde van het Verenigd Koninkrijk en een van de oudste Europese ridderorden.
Willem was bekend vanwege zijn militaire activiteiten. Zo was hij vijf keer betrokken in de "Pruisische kruistochten" en had ook militaire conflicten met zijn buren Frankrijk en Brabant gedurende zijn regering. Zijn bondgenoten waren Keizer Karel IV, Wenceslaus, Richard II van Engeland en Koenraad von Rothenstein, de grootmeester van de Duitse Orde. Gedurende zijn regering waren de hertogdommen Gelre en Gulik tijdelijk verbonden in een unie.
Willem was de oudste zoon van hertog Willem II van Gulik en van Maria van Gelre, de halfzuster van de laatste hertog van het Gelderse hertogelijke huis, Reinoud III. 
Maria van Gelre († november 1397) was een van de twee troonpretendenten voor het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen tijdens de Eerste Gelderse Successieoorlog tussen 1371 en 1379. Ze streed echter voor deze titel namens haar zoon Willem III van Gulik. De oorlog begon na de dood van haar halfbroers Reinoud III van Gelre en Eduard van Gelre. Edward overleed aan zijn verwondingen na de Slag bij Baesweiler en Reinoud, die ook wel de bijnaam de Vette had, overleed enkele maanden daarna. Deze opvolgingskwestie werd ook geclaimd door Maria's zuster Mechteld van Gelre en zij werd gesteund door de van 'Heeckerens' onder Frederik van Heeckeren van der Eze (1320-1386). De volgers van Maria waren de van 'Bronckhorsten' onder Gijsbert V van Bronckhorst (1328-1356). Na de overwinning van haar partij ging de titel van Hertog naar haar zoon Willem III.

Na de dood van Reinoud III liet zijn vader aanspraken gelden op de erfopvolging, wat leidde tot de Gelderse Successieoorlog tegen Jan II van Blois. Willem kreeg in 1377 van keizer Karel IV de belening over Gelre, maar het duurde nog tot 1379 voor hij zijn aanspraken kon hard maken en in heel Gelre erkend werd. Willem nam deel aan de kruistochten naar Oost-Pruisen (1383, 1388/1389, 1393). Willem III verpandde in 1388 de heerlijkheid Bredevoort aan Hendrik III van de rijksheerlijkheid Gemen, wiens zoon en kleinzoon ook pandheer van Bredevoort waren. In 1393 overleed zijn vader en erfde Willem ook het hertogdom Gulik.

Hij mengde zich zowel in de Honderdjarige Oorlog, aan de kant van Engeland tegen Frankrijk, als in de Duitse rijkspolitiek waar hij als hertog van Gulik de kroningsweg Frankfurt–Aken kon controleren. Zo verhinderde hij de kroning van Ruprecht III van de Palts in 1400.

Op 2 oktober 1392 gaf hij het bevel om de stad Elburg te verplaatsen.

Hij verwierf in 1400 voor het hertogdom Gelre de plaats Cuijk en voor het hertogdom Gulik de steden Born, Euskirchen, Sittard, Boslar, Aldenhoven, Grave, Millen, Waldfeucht en Gangelt.

Willems regeerperiode wordt alom omschreven in de sfeer van 'ridderlijke hoflijkheid' in de Franse en Nederlandse tijd. Hij nam deel aan vele toernooien en aan man tot man gevechten en werd geprezen als "ideale ridder". Hij nam deel aan de Kruistochten tegen de Litouwers in Oost-Pruissen in de gebieden van de Duitse Orde samen met Willem VI van Holland in 1383 en later in 1388-89. Hij was een bondgenoot van de Engelse koning in de Honderdjarige Oorlog en vocht zijn claimatie aan voor de Gelderse successieoorlog. Hij bevocht (1386-1388) samen met zijn vader succesvol het hertogdom Brabant, die samenzwoer met Frankrijk en Bourgondië. Willems leger kwam ver in Brabant, alhoewel ze enige tegenslag hadden bij Grave in juli 1388. Zijn roekeloze acties als zowel zijn verbond met Engeland, had Karel VI van Frankrijk woedend gemaakt dat hij een leger van circa 100.000 manschappen op de been had gebracht om Gelre met de grond gelijk te maken. Willem wilde zich niet laten klein maken door dit leger, ondanks dat hij niet op kon tegen deze macht. Echter door de winter kou, rivier overstromingen, slechte bevoorrading voor de Fransen, de guerillatactieken van Willem en de smeekbeden van zijn vader Willem II van Gulik om zich te verzoenen met de Franse koning. Wist Willem ternauwernood aan een vernietigende nederlaag te ontkomen, zijn opstandigheid maakte hem beroemd doorheen heel Europa.

Willem van Gelre wordt door zijn vader 'gesmeekt' 
het niet tegen de Fransen op te nemen in 1388, 
tekening Johannes Egenberger.

Kort na zijn campagne in Brabant, vertrok Willem weer naar Pruissen met een groot leger. Hij was zeer succesvol in deze kruistocht, maar hij werd echter gevangengenomen bij Stolpe in Pommeren door graaf Wartislaw VII. Hij werd afgevoerd naar kasteel Falkenburg, waar hij vastgehouden werd voor 6 maanden. Koenraad von Rothenstein wist hem vrij te krijgen. Hierna eiste Willem dat zijn vrijlating in het openbaar werd verkondigd, echter schaamde de Pommerse adel zich voor hun nederlaag en gezichtsverlies. Volgens legende zouden de Pommerse adel zich in een boom hebben verstopt uit angst voor de reactie van de bevolking en in de boom de vrijheid van Willem hebben uitgesproken, deze stond aan de andere zijde van een rivier te wachten met zijn mannen op deze uitspraak. Willem keerde daarna terug naar Gelre via Bohemen, waar hij op bezoek ging bij zijn zwager Wenceslaus.

In het voorjaar van 1390 ging Willem naar Engeland. Hij werd daar tot ridder in de "Orde van de Kouseband" benoemd door Richard II van Engeland, waarmee Willem de eerste vorst was van het vasteland die deze eer te beurt viel. Het jaar daarna maakte hij een pelgrimsreis naar het Heilige land en in de zomer van 1391 vergezelde hij een Franse vloot om de "Moorse piraten" aan de Barbarijnse kust te bevechten. Hij keerde terug naar Pruissen in de Winters van 1392 en 1393 en erfde het hertogdom Gulik na de dood van zijn vader (1393). Dit bracht hem in moeilijkheden met Keulen, Berg, Kleef en Mark. In 1399 waren er opnieuw problemen met Brabant wat resulteerde in de teruggave van de stad Grave aan Gelre. In 1399 ging hij voor een vierde keer naar Pruissen.

In zijn betrokkenheid in de Honderdjarige Oorlog, speelde Willem een belangrijke rol in het toezicht houden op de hoofdroute tussen Aken en Frankfurt, waarvan een gedeelte door zijn gebieden liepen. Zo kon hij in 1400 rooms-koning Ruprecht van de Palts de toegang weigeren door zijn streek. In de herfst van 1401 maakte Willem zich op om zijn zwager Jan V van Arkel te gaan helpen in het conflict met Albrecht van Beieren, graaf van Holland, Willem werd echter ziek en overleed op 16 februari 1402 en werd bij zijn vrouw bijgezet in het kartuizerklooster Monnikenhuizen.

Als Willem langer geleefd had, dan hij vermoedelijk de Bourgondische invloed in de Lage landen tegen kunnen houden, dit door zijn lange en onvermoeibare oorlogen tegen zijn buren en omstreken. Ondanks dat de kosten voor al deze oorlogen verhaald werden op de bevolking van zijn landen, zorgde hij ook voor economische voorspoed en wist hij zijn burgers te verenigen tegen de dreigende vijand. Als gevolg van Willems politieke invloed sloten de strijdende partijen Heekerens en Bronkhorsten weer vrede. Na Willems dood volgde zijn broer Reinoud IV hem op als hertog van een verenigd Gulik-Gelre-Zutphen. Reinoud was minder oorlogszuchtig, alhoewel er spanningen bleven met het hertogdom Kleef over Lymers, Zevenaar en Emmerich, deze laatste plaats ging uiteindelijk over naar Kleef.

Willem III trouwde in 1379 met Catharina van Beieren-Holland (1360-1400), dochter van hertog Albrecht I van Beieren en verloofde van zijn oom, hertog Eduard van Gelre. Dit huwelijk bracht geen wettige kinderen voort en Catherina overleed in Hattem in november 1400. Daarom werd een huwelijk tussen Jan II van Egmond en Maria van Arkel gearrangeerd om daarmee in een acceptabele opvolger van Willem I te voorzien. Echter Jan II van Egmond was nog niet meerderjarig toen Willen I stierf. Zodoende volgde Willems broer Reinoud IV hem tijdelijk op. Willems buitenechtelijke dochter Maria huwde in 1402 Johan van Buren en hertrouwde Reijnart van Crijckenbeck.


 

15 december 2024

Eerste Gelderse Successieoorlog

 


Eerste Gelderse Successieoorlog


Hertogdom Gelre rond 1350


De Eerste Gelderse Successieoorlog was een successieoorlog die van 1371 tot 1379 woedde in het hertogdom Gelre.
De oorlog brak uit nadat hertog Reinald III in 1371 stierf zonder 'wettige' kinderen. Reinalds broer Eduard, die eerder dat jaar in de Slag bij Baesweiler sneuvelde, had eveneens geen kinderen. Hierdoor waren de overgebleven gegadigden voor het bestuur over het hertogdom twee dochters van hertog Reinald II: Mechteld en Maria van Gelre. Maria was gehuwd met hertog Willem II van Gulik en moeder van de latere Willem III van Gulik, namens wie ze de troon van het hertogdom Gelre opeiste. Mechteld had zelf geen kinderen, maar trouwde om haar claim kracht bij te zetten in 1372 met de Franse edelman Jan II van Blois. De troonstrijd werd gecompliceerd omdat er in de veertiende eeuw in Gelre twee invloedrijke families met grootgrondbezit en tegengestelde belangen tegen elkaar streden: de Van Heeckerens en Bronckhorsten. Deze twee families hadden ook tegen elkaar gevochten in de Gelderse Broederstrijd van 1350-1361. Tijdens de Eerste Gelderse Successioorlog steunden de Heeckerens Mechteld en de Bronckhorsten Maria en haar zoon. Na acht jaar strijd won Maria de oorlog en werd haar zoon Willem hertog van Gelre.

Overzicht van 1372 - 1379

  • 1372 (voorjaar): Jan II van Blois trekt in februari en maart 1372 naar de Veluwe, waar zijn manschappen meerdere kastelen succesvol belegerden in naam van de Heeckerens. Hieropvolgend belegert Jan zestien weken lang Geldern; deze belegering is echter onsuccesvol.
  • 1372 (25 juni): Roomskeizer Karel IV beleent in Aken de jonge Willem III van Gulik met het graafschap Gelre. Jan II van Blois trekt vervolgens met een aantal bondgenoten naar Aken om de keizer van gedachten te laten veranderen, maar slaagt hier niet in. Hiermee eindigt ook de betrokkenheid van Jan II van Blois met de oorlog.
  • 1372: De Bronckhorsten plunderen in het Sticht Utrecht, vermoedelijk omdat de Utrechtse bisschop Arnold van Horne zich bij Mechteld en de Heeckerens had aangesloten. De Slag bij Heerewaarden vindt als gevolg daarvan plaats, waarbij de Bronkhorsten een nederlaag lijden.
  • 1372: Gozewijn van Varik verovert op 26 juni Tiel in naam van de Heeckerens. Tijdens het hele jaar 1372 is er strijd binnen de stad Tiel, dat regelmatig van partij veranderde.
  • 1372/73, Arnold van Horne verovert Harderwijk voor Mechteld van Gelre.
  • 1373 (6-9 februari): Er wordt een grote vredesconferentie tussen beide partijen worden in Geertruidenberg gehouden, vooralsnog zonder succes.
  • 1374: Reinoud I van Brederode veroverde Tiel voor Mechteld van Gelre.
  • 1374 (28 april): Het verdrag van Straelen wordt gesloten. Hierin wordt besloten dat het graafschap Gelre in twee delen wordt gesplitst: het gebied rechts van de Rijn en ten noorden van de Waal komt in het bezit van Mechteld; het gebied links van de Rijn en ten noorden van de Waal gaat naar Maria. Het gebied van Mechteld zou uiteindelijk in handen van Gulik komen bij overlijden van Mechteld, tenzij ze een erfgenaam zou baren.
  • 1376 (mei): Belangrijke hoofdmannen van de Bronckhorsten, waaronder Gijsbrecht van Bronckhorst-Borculo, worden na een gevecht met Reinoud I van Brederode en de zijnen gevangengenomen bij Oosterbeek. Gijsbrecht en de andere gevangengenomen Bronckhorsten verzoenen zich uiteindelijk met Mechteld in november 1376.
  • 1377 (april): Rooms keizer Karel IV beleent Willem, de zoon van Maria en Willem II van Gulik, officieel met het hertogdom Gelre, aangezien de jonge Willem nu als volwassene wordt gezien. Ook wordt er rond dezelfde tijd een huwelijksovereenkomst gesloten tussen Willem en Catharina van Beieren, die al eerder getrouwd was met hertog Eduard van Gelre.
  • 1378: Strijd om Tiel. Tijdens Pasen (18 april 1378) worden Tielse aanhangers van de Heeckerens bloedig vermoord door aanhangers van de Bronckhorsten wanneer deze van de kerk naar het tolhuis willen gaan. Dit wordt ook wel de 'kwade Paasdag' genoemd.
  • 1378 (oktober/november): Het kasteel van Gennep, woonplaats van Reinoud I van Brederode, wordt vanaf 19 oktober belegerd door de Bronckhorsten. Tijdens de belegering krijgt de jonge Willem van Gulik en Gelre de ridderslag van zijn vader.
  • 1379: Het dorp Zennewijnen met kerk en klooster wordt verwoest door de Bronkhorsten.
  • 1379 (23 februari): Het tolhuis van Tiel, het laatste bolwerk van de Heeckerens, wordt ingenomen door Willem van Gulik en Gelre. Hiermee wordt de vrede in heel Gelre ingeluid.
  • 1379 (24 maart): De Slag bij Hönnepel vindt plaats. Dit is de laatste slag van deze oorlog, waarbij Mechteld van Gelre door de Gulikse troepen verslagen wordt. Mechteld deed daarna afstand van haar rechten op de hertogelijke troon van Gelre, maar mag tot haar dood in 1384 wel de titel 'hertogin van Gelre' blijven dragen.


14 december 2024

Eduard van Gelre

 

Eduard van Gelre

Eduard van Gelre (12 maart 1336 — Baesweiler, 24 augustus 1371) was de jongste zoon uit het tweede huwelijk van hertog Reinoud II van Gelre met Eleonora van Engeland. Hij overleed ongehuwd en is begraven in het Klooster 's-Gravendaal.

Eduard of Edward werd vernoemd naar zijn oom Eduard III van Engeland. Na de dood van zijn vader Reinoud II van Gelre en zeker na 1350 begon de Gelderse Broederstrijd tussen Edward en zijn oudere broer Reinoud III van Gelre. Eduard had daarbij de steun van de Van Bronkhorsten een belangrijke patroon in de Gelre'se ridderschap. In 1352 kreeg hij Roermond en de heerlijkheid Kessel van zijn broer na een verzoensverdrag. In 1354 (of 1556) ging hij met zijn broer Reinoud en de "vrije boeren" van de Veluwe de confrontatie aan met de Slag op de Vrijenberg, ondanks het kleine leger van Eduard wonnen ze deze veldslag. Hij won de Slag bij Tiel in 1361 tegen zijn broer, zette hem gevangen, en werd zelf hertog van Gelre 1361-1371. Gedurende zijn regeerperiode was hij in oorlog met de Van Heeckerens en met de graaf van Kleef.

Gelderse en Gulikse troepen leverden op 22 augustus 1371 strijd tegen de Brabanders bij Baesweiler. De Brabanders verloren, hertog Wenceslaus van Brabant, werd gevangengenomen, maar Eduard werd bij de veldslag zelf dodelijk verwond, mogelijk vermoord door een pijl, door iemand uit zijn eigen gevolg afgeschoten (verdacht wordt Herman Leers van Hees). Hij overleed twee dagen later.

Zijn broer Reinoud volgde hem op maar overleed nog datzelfde jaar. De onverwachte dood van Eduard en zijn broer Reinoud, die beiden slechts bastaardkinderen nalieten, veroorzaakte de eerste Gelderse Successieoorlog. In 1372 werd zijn minderjarige neef (oomzegger) Willem van Gulik beleend met Gelre. De voogdij kwam aan diens vader hertog Willem II/VII van van Gulik. Vanaf zijn volwassenheid regeerde hij als hertog Willem I van Gelre.

Eduard was sinds 1368 verloofd met Catharina van Beieren, een dochter van de Hollandse graaf Albrecht van Beieren. De huwelijkse voorwaarden waren door de ridderschap en steden mede bezegeld. Toen Eduard in 1371 sneuvelde was het huwelijk nog niet voltrokken. Op 14 februari 1372 verbonden zijn halfzuster Maria en haar echtgenoot de hertog van Gulik zich ertoe de huwelijkse voorwaarden na te komen ten behoeve van hun zoon Willem. Op 18 september 1379 trouwde Catharina met hun zoon, de inmiddels hertog Willem I van Gelre.

Van Eduard zijn de volgende bastaardkinderen bekend:
  • Johan bastaard van Gelre, pastoor van Botselaer
  • een dochter die voor 1371 huwde met een lid van het geslacht van Coevorden
  • Eén of meer kinderen van Jutken van Wijck

13 december 2024

Reinoud III

 

Reinoud III,

Reinoud III of Reinald III (13 mei 1333 - 4 december 1371) was hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Hij was een zoon van Reinoud II van Gelre en Eleonora van Engeland. Op 1 juli 1347 huwde hij in Tervuren met Maria van Brabant, de derde dochter van hertog Jan III van Brabant en Maria van Évreux. Hij werd begraven in het Klooster 's-Gravendaal.
Zijn bijnaam luidde Reinoud de Dikke of Vette: mede vanwege zijn tienjarige gevangenschap (1361-1371) was hij door goede behandeling enorm in omvang gegroeid waardoor hij zijn cel niet meer uit kon.

Na het overlijden van Reinoud II in oktober 1343 werd de 10-jarige Reinoud III te jong bevonden om het hertogdom Gelre te besturen. De Raad van State koos twee voogden, zijn moeder Eleanora en zijn oom Dirk IV van Valkenburg, en stelde zijn oom Jan van Valkenburg aan als stadhouder. Het boterde niet tussen Eleonora en Dirk van Valkenburg, waarna Eleonora besloot om met haar twee zoons naar Calais te vertrekken, waar haar broer Eduard III van Engeland met een beleg van de stad bezig was. Reinoud II had besloten dat zijn oudste zoon zou huwen met Maria van Brabant. Edward III wenste daarentegen dat Reinoud III een huwelijksverbintenis aan zou gaan met het Huis Gulik. Ondertussen had Dirk van Valkenburg een verbond gesloten met Willem IV van Holland. Deze laatste wilde een huwelijk tussen Reinoud III en zijn zuster Isabella. Reinoud III volgde echter de wens van zijn vader en vertrok naar Antwerpen en huwde in Vilvoorde met Maria van Brabant. Het echtpaar verkreeg het 'Land van Turnhout' als bruidsschat.

Enkele dagen na de bruiloft volgde Reinoud III zijn schoonvader Jan III van Brabant in de Slag bij Hamont (21 juli 1347) tegen de opstandige Luikenaren. De slag verliep desastreus voor het Hertogdom Brabant en Gelre, de 15-jarige Reinoud III raakte gewond en verloor belangrijke mannen als Hubert II van Culemborg en Robert van Arkel. Hoewel Reinoud in de keuze voor een echtgenote de wens van zijn oom Edward III van Engeland niet had gevolgd, bleef hij zijn oom wel steunen in de Honderdjarige Oorlog met Frankrijk. Reinoud III kreeg in de periode 1348-1350 te maken met de Zwarte Dood die in Europa vele slachtoffers maakte en met een partijtwist tussen zijn edelen, de Heeckerens en Bronkhorsten. Reinoud moest een keuze maken aan welke kant hij stond en koos uiteindelijk rond 1350 voor de Van Heeckerens. De Van Bronckhorsten, die toen nog in tel waren in het Hertogdom Gelre, wisten Reinouds 14-jarige jongere broer Eduard voor zich te winnen. Dit leidde tot de elf jaar durende Gelderse Broeder- en burgertwist (1350-1361).

Eerste zegel van Reinald III, 
in gebruik van 20 september 1344 tot 6 juli 1349

Reinoud of een van zijn aanhangers zat achter de moord op Emmerik van Druten, die enkele jaren daarvoor van partij gewisseld was. Nadat Reinoud III het onderspit dreigde te delven in deze Gelderse Broederstrijd, gaf hij privileges aan de boeren op de Veluwe. Zij werden hierdoor vrije boeren en trokken met Reinoud op tegen Eduard. In de Slag op de Vrijenberg op 19 juli 1354 werden Reinoud en zijn boerenaanhang vernietigend verslagen[9]. Na de dood van zijn schoonvader in 1355 mengde Reinoud III zich ook even in de Brabantse Successieoorlog (1355-1357).

In mei 1361 werd Reinoud III tijdens een slag bij Tiel gevangengenomen door zijn broer en eerst opgesloten in kasteel Rosendael (3 à 4 jaar) en daarna in kasteel De Nijenbeek, circa 6 jaar (ten noordoosten van Voorst, Gelderland). Tijdens zijn verblijf in gevangenschap zou Reinoud zo corpulent geworden zijn, mede veroorzaakt door te weinig beweging en aanleg tot zwaarlijvigheid, dat hij zijn cel niet meer kon verlaten en de deur open kon blijven.

Kasteel de Nijenbeek, waar Reinoud 
circa 6 jaar verbleef. (Foto: J. Boers)


In augustus 1371 sneuvelde Eduard in de Slag bij Baesweiler en werd Reinoud bevrijd (volgens de legende moesten de muren worden uitgehakt) en opnieuw uitgeroepen tot hertog van Gelre. Zijn tweede regeerperiode mocht echter niet lang duren. Reinoud III stierf in december 1371, zonder officiële wettelijke erfgenamen na te laten. Wel had hij een natuurlijk kind, een bastaardzoon, thans bekend als Jan van Hattem.
Nadat in 1193 reeds de Heinsbergse tak, en in 1368 de Kleefse tak uitgestorven waren, stierf met de dood van Reinald III de agnatische afstamming, dus in de mannelijke lijn, van de Flamenses uit.


Jan van Hattem

Reinald III heeft vermoedelijk rond 1350 de burcht in Hattem laten bouwen. Dit zal niet meer zijn geweest dan een eenvoudig versterkt huis. Het was het noordelijkste steunpunt van de hertog. In 1371 wordt het borch en onse stat, borch ende huys genoemd.
Na zijn vrijlating beleende Reinald op 28 september 1371 zijn buitenechtelijke zoon Johan (Jan) met de burcht, de stad en de heerlijkheid Hattem, en met inkomsten uit het ambt Doornspijk, en grondcijnzen in Elburg en Hollanderbroek. De dag erna werd dit bevestigd door de ridderschap en de steden Nijmegen, Arnhem, Zutphen en Roermond, waarbij bepaald werd dat wanneer Johan belemmerd zou worden in zijn bezit hij schadeloos gesteld zou worden met een bedrag van 50.000 schilden.
Op zijn sterfbed, op 3 december 1371, smeekte Reinald de bewoners en de ambtlieden van Hattem zijn bastaardzoon te huldigen en te steunen bij de uitoefening van zijn rechten. Op 7 mei 1372 bevestigde Mechteld, de halfzuster van Reinoud, vanaf haar residentie Rosendael, per oorkonde handhaving van de erfrechten van Johan, en riep schepenen, raad en burgers van Hattem op Johan als hun heer te erkennen. Aangenomen wordt dat Johan tegenwerking van de stad Hattem had ondervonden. Bovendien verpandde Mechteld enige van haar eigen goederen in de Nederbetuwe als erfgoed aan Johan. Het ging om goederen bij Ommeren, Ingen, Opheusden, Eck en Maurik.
Jan van Hattem verbleef niet vast op zijn burcht Hattem, maar rond Utrecht en in de Betuwe. Rond 1377 werd hij in de balije van Utrecht van de Duitse Orde ingekleed en schonk Mechteld hem 24 pond jaarlijks uit de tiend van Drumpt. Vanaf 1380 was hij korte tijd commandeur van Tiel. In de commanderij van St. Jan van Nijmegen ontving hij een lijfrente van 100 gulden jaarlijks. In 1421 droeg Johan van Hattem zijn rechten op burcht, stad en heerlijkheid Hattem over op Gerard van Kleef († 1461), graaf van Mark. Jan van Hattem overleed na 1422.

Zegels

Reinald III wordt op 12 maart 1344 voor het eerst genoemd in de oorkonde waarin hij samen met Johan van Valkenburg het recht van het heffen van accijns verleent aan de stad Emmerich. Hij heeft dan nog geen eigen zegel. Vanaf 20 september 1344 vaardigt hij zelf oorkonden uit samen met zijn moeder Eleonora, en gebruikt een eigen zegel. Van de inhuldigingstour in het najaar van 1344 is een reeks gezegelde oorkonden bewaard gebleven.
Zijn eerste zegel, gebruikt van 20 september 1344 tot 6 juli 1349, bevat in een driepas een wapenschild met de voorstelling van een gekroonde leeuw met dubbele staart. Op 24 augustus 1347 zegelt hij met hetzelfde wapenschild in een vijfpas waarvan elk der lobben versierd zijn met een drieblad vergezeld van vijf rozetten. Van 13 december 1347 tot 10 oktober 1359 zou hij zegelen met dezelfde gekroonde leeuw in een versierde driepas overtopt door de letter 'R'. Vanaf 1360 bevat zijn zegel een zittende leeuw, de kop verborgen onder een helm, waarboven een scherm van pauwenveren met leeuwtje, in een driepas. In 1371 bevat zijn zegel een dubbele zespas, versierd met bloemetjes, en een wapenschild met een gekroonde leeuw met dubbele staart.
Op 12 augustus 1367 tijdens zijn gevangenschap ontsloeg hij Alard van Buren van de leenplicht waarbij hij verklaarde geen zegel te bezitten. Reinalds zegels werden vervaardigd door Růlekin, ook als Rulkin geschreven, aurifaber (goudsmit) te Arnhem.


12 december 2024

Reinoud II


Reinoud II

Reinoud II (of Reinald II; ca. 1295 – Arnhem 12 oktober 1343), bijgenaamd de Rode of de Zwarte, was graaf van Gelre van 1326 tot 1339 en hertog van Gelre van 1339 tot 1343. Hij was de zoon van graaf Reinoud I en Margaretha van Dampierre (1272-1331), dochter van graaf Gwijde van Vlaanderen.
In 1316 kreeg hij onenigheid met zijn vader. Hij vond zijn vader niet langer in staat de belangen van het territorium te behartigen en nam zelf het bestuur over. Na een arbitrale uitspraak van 3 september 1318 door graaf Willem III van Holland regeerde hij als soen des graven van Gelre over het graafschap Gelre en Zutphen. Zijn vader werd gevangengezet op kasteel Montfort. 
Reinoud verleende land- en dijkrechten, en maakte bepalingen en regelingen ter verbetering van het keren van buitenwater en het lozen van binnenwater en grondwater. Deze wetgeving bestond deels uit de optekening van publiekrechtelijk en privaatrechtelijk gewoonterecht, en deels uit nieuw recht ten aanzien van het schouwen van dijken, weteringen en kaden, en de rechterlijke organisatie. Voor het Land van Maas en Waal in 1321 en 1328, voor de Bommeler- en de Tielerwaard in 1325, 1327 en 1335, voor de Over- en Nederbetuwe in 1327, voor het Overkwartier in 1328, voor het nieuw ontgonnen 'Nijbroek' eveneens in 1328. Deze wetgeving is van belang geweest voor de bevordering van de rechtszekerheid en de bodemexploitatie binnen het Gelderse territorium. 

Reinoud II

In 1326 overleed zijn vader en Reinoud benoemde zichzelf tot graaf van Gelre en graaf van Zutphen als Reinoud II.
Hij begon een samenwerkingsverband met de Engelse koning en zwager Eduard III van Engeland tegen Frankrijk. Hij waarschuwde de Engelsen in 1338 over een Franse vloot die het Zwin naderde. Hij bleef een van Edwards trouwste bondgenoten onder de Duitse prinsen tijdens de eerste fase van de Honderdjarige Oorlog.

Op 19 maart 1339 werd Reinoud II tot hertog van Gelre en graaf van Zutphen in de Rijksdag in Frankfurt tot de rijksvorststand verheven en tevens met Oost-Friesland beleend. Dit besluit kwam mede tot stand dankzij bemiddeling van Reinoud II tussen keizer Lodewijk de Beier, die getrouwd was met de gravin Margaretha van Holland, en Edward III van Engeland, broer van Reinouds vrouw Eleonora van Engeland. In 1342 richtte Reinoud II het klooster Monnikhuizen op. In de veertiende eeuw groeide de behoefte aan soberheid en zuiverheid in de religieuze praktijk. Daardoor nam de populariteit van de strenge kartuizerorde toe. Het eerste kartuizerklooster in Gelre was Monnikhuizen in Arnhem.
Reinoud voerde vier jaar lang een strijd om Bredevoort (1322-1326) die hij uiteindelijk won. In 1326 verleende Reinoud II stadsrechten aan Erkelens en in 1343 aan Venlo.

Reinoud II Valkenjachtzegel.

Eerste huwelijk met Sophia Berthout

Op 11 januari 1311 werden te Roermond huwelijksvoorwaarden opgesteld van het huwelijk van Reinout met Sophia Berthout († 6 mei 1329) uit het geslacht Berthout, erfgename van de heerlijkheid Mechelen, dochter van Floris Berthout († 1332), heer van Mechelen, en Mathilde (van der Mark) van Mechelen, kleindochter van Engelbert I van der Mark.[5][noot 1] Het huwelijk werd in 1318 voltrokken. Sophia was een nicht van de Utrechtse bisschop Willem II (1296-1301). Het huwelijk kwam vermoedelijk tot stand door bemiddeling van Gwijde van Avesnes bisschop van Utrecht (1301-1317) en graaf Willem III van Holland (1304-1337). Sophia en Reinald waren in de vierde graad verwant waardoor voor hun huwelijk pauselijke dispensatie nodig was, wat op 13 mei 1311 te Avignon verleend werd door Paus Clemens V.  Hij werd begraven in het Klooster 's-Gravendaal, nabij Asperden (gemeente Goch), tegenwoordig in Duitsland.
Sophia schonk hem de volgende kinderen:
  • Margaretha (ca. 1320 - 4 oktober 1344), 4 juli 1342 gehuwd met Gerard, zoon van graaf Willem VI van Gulik. Zij was reeds op 1 maart 1333 verloofd met Gerard, naar aanleiding waarvan zij op 1 december 1333 de heerlijkheid en voogdij Mechelen voor 60.000 gulden verkocht aan graaf Lodewijk van Vlaanderen. 
  • Mechteld (ca. 1325-1384) in 1336 gehuwd met graaf Godfried van Loon en Chiny (?-1342), in 1348 met graaf Jan I van Kleef (1292/93-1368) en in 1372 met Jan van Chatillon graaf van Blois (†1381)
  • Elisabeth (-1376), abdis van het Klooster 's-Gravendaal, gelegen tussen Kessel en Asperden in Duitsland.
  • Maria (-140's-5?), gehuwd met hertog Willem II/VII van Gulik, ouders van de uiteindelijke opvolgingslinie.
Tweede huwelijk met Eleonora van Engeland
Nadat in 1331 uitgebreide huwelijkse voorwaarden waren opgesteld huwde Reinoud op 20 oktober 1331  in Nijmegen met Eleonora (1318-1355), dochter van Eduard II van Engeland en Isabella van Frankrijk, die op haar beurt weer een dochter was van koning Filips IV van Frankrijk. Van de huwelijksvoltrekking werd op 24 oktober 1331 een notariële verklaring opgemaakt is. Ze hadden samen de kinderen:
  • Reinoud III (1333-1371), 1e opvolger Gelre
  • Eduard (1336-1371), 2e opvolger Gelre

 

Willem V van Kleef (Slot)

  Willem V van Kleef Willem V (Düsseldorf, 28 juli 1516 – aldaar, 5 januari 1592) was hertog van Kleef, Gulik en Berg, graaf van Mark, heer ...