30 november 2024

Ontstaan van het graafschap Gelre.

 


Wassenberg

Het graafschap Gelre ontstond in 1046 rond de plaats Gelre (Geldern (Nederlands: vroeger Gelre, later Gelder of Gelderen, zoals ook te zien is aan de met deze beide vormen voorkomende familienamen Van Gelder en Van Gelderen) is een stad en gemeente in de Duitse Nederrijn, in de Kreis Kleef (Noordrijn-Westfalen). Geldern ligt aan de Niers, op circa twintig kilometer ten noordoosten van Venlo, maar de afstand tot de Nederlandse grens bedraagt hemelsbreed slechts zeven kilometer) als eigendom van het geslacht der Flamenses van Wassenberg. In de volgende eeuwen wisten de Gelderse graven hun grondgebied aanzienlijk uit te breiden, vooral met de gebieden die vandaag de dag de provincie Gelderland vormen.
De oorsprong van de heerlijkheid ligt in drie plaatsen. Twee hiervan liggen bij de rivier de Niers, namelijk Geldern en Pont. Een derde, meer zuidelijk, is de stad Wassenberg aan de rivier de Roer. Hier ontving de eerste heer, Gerard I Flamens, in 1021 van keizer Hendrik II het land van Gelre.
Wassenberg wordt voor het eerst in 1020 als plaats genoemd. De burcht Wassenberg (Duits: Burg Wassenberg) bestaat echter al aantoonbaar langer. Deze was waarschijnlijk gebaseerd op een Romeinse vesting. In 1020 schonk keizer Hendrik II het kasteel en het land Wassenberg aan Gerard I Flamens, die het van toen af aan als allodium onder zich hield. 

Burcht van Wassenberg

Een allodium was tijdens het ancien régime een onroerend goed met landerijen en bijhorende horigen in vrij eigen bezit. Het stond tegenover het feodum of leengoed dat in bruikleen werd verkregen. Op een allodium hoefde bij erven geen belasting te worden betaald.
Er waren geen grafelijke rechten verbonden aan Wassenberg. Hiermee werd de grafelijke lijn opgericht, die vier generaties later vanuit de burcht Wassenberg de grondslag legde voor het graafschap Gelre en waar uiteindelijk de hertogdommen Gulik, Kleef en Berg ook aan verbonden raakten. De burcht Wassenberg is een van slechts drie heuvelforten aan de Neder-Rijn naast Kleef en Liedberg. 

Gerard I Flamens

Gerard I Flamens (ca. 970 - na 1042), ook wel bekend als Gerard de Vlaming, Gerard I van Wassenberg en Gerard van Antoing, was volgens de Annales Rodenses een verwant van Ailbertus van Antoing, die in 1104 de Abdij Rolduc stichtte, en diens broers Theyemo en Walger. Mogelijk was hij verwant aan graaf Arnold van Valenciennes. De Flamenses waren de voorlopers van de graven, later hertogen van Gelre.
Gerard was mogelijk afkomstig uit de omgeving van Antoing bij Doornik op de rechter Schelde-oever, en vluchtte rond 1033 uit Vlaanderen, waarna de keizer zich over hem ontfermde. Volgens de Annales Rodenses wordt hij door de keizer 'bij Wassenberg geplaatst'. Er wordt niet vermeld dat hij graafrechtelijke bevoegdheden over Wassenberg krijgt. Hij kreeg zoveel land toebedeeld dat zijn nakomelingen vorst van de streek zouden worden. Het is niet meer na te gaan welke goederen hij toebedeeld kreeg, maar in ieder geval het eigengoed of allodium Wassenberg. Hij is een van de voorvaderen van de graven en hertogen van Gelre.
Antoing lag aan de Schelde in de mark Ename aan de uiterste westelijke grens van het Heilige Roomse Rijk. Omdat Boudewijn IV hun gebieden had veroverd wendden Gerard en zijn broer Rutger zich in 1021 tot keizer Hendrik II. Daar klaagden ze dat ze slachtoffer waren geworden van de door het Rijk aan Vlaanderen verloren gegane gebieden in de zuidelijke mark Ename, die later met andere naburige gebieden het graafschap Henegouwen zouden vormen.
Gerard kreeg ter compensatie het gebied Wassenberg waar hij als Gerard I "Flamens" ('de Vlaming') stamvader van het huis Gelre werd en zijn broer Rutger het gebied Kleef kreeg, waar hij stamvader werd van het eerste huis Kleef, dat in 1368 in de mannelijke lijn zou uitsterven. Deze gebieden waren na de moord van Adela van Hamaland op Wichman van Vreden (wiens goederen aansloten op Hamaland) vrij gekomen. Hierdoor kwam het goed van Wichman vrij en werd het gebied van Adela en haar echtgenoot Balderik (graaf van Drenthe en Salland) door de keizer geconfisqueerd.
Gerard werd door zijn zoon Gerard II Flamens opgevolgd. Gerard II was met een dochter van Diederik van Hamaland (zoon van Adela en haar eerste echtgenoot Immed IV en kleinzoon van Wichman van Hamaland en Liutgard van Vlaanderen) getrouwd. Dit huwelijk versterkte zijn aanspraak op een deel van de geconfisqueerde gebieden.


Scholtengoederen


 Scholtengoederen

In Gelre kende men graven, hertogen, adel, kerken en kloosters als grondbezitters. Daarvoor bestond een ingewikkeld leenstelsel waarbij rentmeesters weer als toezichthouders werden aangesteld. 

Het leenstelsel, leenwezen of feodaal stelsel is een historische rechtsfiguur waarbij een grootgrondbezitter de rechten als eigenaar van de grond in bruikleen gaf aan derden in ruil voor betalingen en diensten die konden variëren van grondbewerking, hand-en-spandiensten tot politieke en militaire trouw. Basis was een privaatrechtelijke overeenkomst, het feodale contract. Op basis daarvan ontwikkelde zich in de loop der eeuwen in grote delen van wat nu Europa is, ook allerlei verschillende bestuursvormen. De grondeigenaar of degene die het bezit van de grond in leen had gekregen, maakte dan afspraken over de manier waarop het gebied en de bewoners bestuurd mochten worden. Er is nooit sprake geweest van één leenstelsel of van één soort afspraak, er bestonden door de eeuwen heen, in verschillende tijden en verschillende regio's veel verschillende gebruiken en leenrechtsystemen. Ook het bekende feodale leenstelsel van de Europese middeleeuwen, bekend als feodalisme, kende veel verschillende vormen.

Hiërarchie feodale leenstelsel.

Het feodalisme of de feodaliteit (van het Latijnse feudum of leen) is het gelaagde machts-, bestuurs- en samenlevingssysteem gebaseerd op een leenstelsel, dat zich in grote delen van Europa ontwikkelde na de Val van het West-Romeinse Rijk (circa 500). Het feodalisme was het maatschappelijke systeem dat de gehele middeleeuwen gehandhaafd bleef. Het belangrijkste kenmerk is dat grondgebied door de eigenaar of houder in gebruik wordt toebedeeld aan anderen, waarbij bindende afspraken worden gemaakt over wederzijdse rechten en verplichtingen: de feodale overeenkomst. Degene die grond onder voorwaarden in gebruik gaf werd leenheer genoemd, en de ingebruiknemer vazal of leenman. De ontwikkelingen en gebruiken verschillen van streek tot streek en gedurende de verschillende tijdsperioden binnen de middeleeuwen. Met de feodaliteit ontwikkelde zich de standenmaatschappij van het late Karolingische rijk. 

De drie grote rijken rond 800, het Byzantijnse Rijk, 
het Arabische Rijk en het Karolingische Rijk.

De Frankische koningen baseerden oorspronkelijk hun macht vooral op jaarlijkse militaire veldtochten waardoor met geweld gebiedsuitbreiding tot stand kwam en bewoners angst aangejaagd werd om te gehoorzamen aan het gezag. Militaire aanvoerders die overleefden werden beloond met een deel van de gebiedsaanwinsten dat ze in leenrecht ontvingen. Toen onder Karel de Grote alle begeerde gebieden door oorlogsvoering ingelijfd waren was het rijk veel te groot geworden om vanuit een centraal punt efficiënt te besturen. Als communicatiemiddel reisde hij persoonlijk rond om zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse te innen of op te laten slaan, want veelal werden ze in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig en de koning vond een andere manier om zijn edelmannen aan zich te binden, door hen bestuurlijke rechten te gunnen verbonden met de grond die ze in leen hadden. Zo gingen leenheren plaatselijke bestuurlijke functies vervullen als schout of stadhouder en mochten ze in die functie plaatselijke verordeningen opstellen en rechtspreken. Uit deze klasse ontstond de adelstand.

In het Graafschap Zutphen kende men sinds de 10e eeuw een afwijkend stelsel, dat tot in de 18e eeuw gebruikt zou worden. Horigheid en het Lohnse hofrecht. 

Horigen werken op het land aangedreven door de voorman

Een schulte was in de Middeleeuwen de bewoner van een hof, de belangrijkste boerderij van een grootgrondbezitter in een regio. Ze waren de zaakwaarnemers van de heer en waren verantwoordelijk voor het innen van de opbrengst en het vervoer daarvan naar de heer. Daarnaast hadden ze een militaire functie om de bijbehorende boerderijen te beschermen. De families Roerdink, Arentzen, Heijink, Lintum, te Bokkel en Borninkhoff waren tegeders en behoorden van oudsher tot de zogenaamde scholtenstand, een klasse van welgestelde grote boeren onder Aalten en Winterswijk. Hun winsten werden omgezet in grondaankopen, waardoor zij hun bezittingen telkens konden uitbreiden. Zo bereikte het oude scholtengoed Lintum in het Woold bij Winterswijk, dat in 1700 ongeveer 80 hectare groot was, in 1780 een omvang van 600 ha. Door hun bijzondere rechtspositie en hun grote materiële voorspoed groeiden de Bredevoortse hofhorigen allengs uit tot een aparte boerenstand die zich ver verwijderd achtte van de gewone boeren uit de omgeving. De betrekkelijk lage horigheidslasten zoals die waren vastgelegd in het uit 1363 daterende Lohnse hofrecht, alsmede de mogelijkheid om buiten het hofhorige goed, de saalwere, tevens allodiaal goed te verwerven dat buiten het hofverband gehouden kon worden, droegen in niet geringe mate bij aan deze ontwikkeling. Pas in de 17e eeuw verwaterde de functie van de schulte en gingen alle belangrijke horige boeren zich 'scholte' noemen. [

29 november 2024

Karel de Grote


De 8e eeuw

Karel de Grote was van 771 tot 814 koning van de Franken. Hij heerste over bijna heel West-Europa. Karel liet op verschillende plaatsen in zijn rijk paleizen bouwen, zogenaamde paltsen. Ook in Nijmegen: daar stond van 777 tot 881 een palts waarschijnlijk op de plek waar nu het Valkhof-park is.
Het rijk van de Franken.
Een palts bestond uit een hoofdgebouw en verschillende bijgebouwen voor het personeel en de militairen, al gauw een paar honderd mensen. Ook een kerk of kapel hoorde bij een palts. De belangrijkste gebouwen lagen meestal binnen een versterking. Buiten de palts stonden boerderijen die voedsel leverden aan de koning en zijn hof.
De verovering van het land en de kerstening van de Saksen was tijdens zijn regering een van de belangrijkste speerpunten. De verovering werd in drie fasen uitgevoerd, grotendeels vanuit Nijmegen. In de Karolingische tijd was Nijmegen als bestuurscentrum in handen gevallen van Frankische koningen.
Koningen waren in de middeleeuwen steeds op reis. Zij trokken van de ene palts naar de andere. Op elke palts bleven ze een aantal weken om met graven, militairen, ambtenaren en geestelijken uit de wijde omgeving de regeringszaken te bespreken. Nijmegen was één van de favoriete verblijfplaatsen van Karel de Grote.
Historiek.net:
Karolingische koningen – zoals Karel de Grote – en later Duitse vorsten in het Heilige Roomse Rijk moesten veel reizen om alle onderdanen in hun gebied te kunnen bereiken. Daarom zorgden ze voor paltsen. Dit waren kastelen die maximaal dertig kilometer van elkaar lagen, zodat koningen hun rijk mobiel konden besturen en direct contact hadden met hun leenmannen. De ‘reiskoningen’ verbleven tijdens hun reizen in een palts om bijvoorbeeld de regionale rechtspraak te leiden, hofdagen te organiseren, voor het uitgeven van lenen of om oorkonden uit te reiken. Paltsen werden verder gebruikt als centrale opslagplaats waar de belasting – in de vorm van goederen en voedsel – uit de regio opgeslagen werd, die aan de koning of keizer moesten worden voldaan.

De stad Nijmegen is nauw verbonden met Karel de Grote. Deze haast legendarische middeleeuwse vorst had een palts - een luxe Koninklijke residentie - waarschijnlijk op het Valkhof waar hij regelmatig verbleef als hij op reis was. De band van Nijmegen met het Frankische rijk wordt bevestigd door een aantal munten die op het Valkhof gevonden zijn.
Na het vertrek van de Romeinen verdween een geregeld muntsysteem. Onder de Karolingische vorsten kwam er een nieuwe muntorde tot stand, gebaseerd op de zilveren denarius. Karel de Grote legde in 793 gewicht en afbeelding vast. De munten tonen de portretkop van Karel, naar Romeins voorbeeld, en zijn monogram KAROLVS. 
Munt Karel de Grote

Zijn zoon Lodewijk de Vrome voerde de denarius in 822 als rijksmunt in. Na het overlijden van Lodewijk de Vrome werd het rijk in drieën gesplitst door zijn drie zonen. Van twee zonen (Karel de Kale en Lotharius) zijn ook munten op het Valkhof gevonden. 

Omstreeks het jaar 777 liet de Frankische koning Karel de Grote een 'palts' bouwen, waarschijnlijk bij of  op de Valkhofheuvel. Nijmegen lag in het noorden van zijn rijk, dat bijna heel Europa omvatte.
Een palts bestond uit een hoofdgebouw, verschillende bijgebouwen voor het personeel en de militairen en een kerk of kapel. De belangrijkste gebouwen lagen meestal binnen een versterking. Tijdens hun regeringsperiode verbleven Karel en zijn opvolgers er korte of langere tijd. In 880 sloeg een aantal Noormannen in Nijmegen een winterkamp op. Op een tekening van Jacobus Buijs steken de Noormannen de palts in brand bij hun vertrek in 881. Mede door deze gebeurtenis is niets bewaard gebleven van de Nijmeegse palts van Karel de Grote en weten we dus niet hoe die eruit heeft gezien. Buijs heeft zich bij het tekenen van de palts laten inspireren door een denkbeeldige reconstructie. Cornelis Springer baseerde zich op werk van Cornelis Pronk (1733), maar wijzigde de architectuur van de gebouwen naar een verzonnen Romaanse stijl. Als voorbeeld voor de Nicolaaskapel (pas gebouwd in de elfde eeuw, dus ruim na de dood van Karel de Grote) gebruikte hij een reconstructie van Alexander Oltmans (1845-46). In het midden zien we Karel de Grote samen met een geestelijke. Naast hen zijn soldaten, hovelingen, vrouwen en kinderen afgebeeld. Linksachter proberen mannen een blijde (een belegeringswapen) uit. Dit schilderij is gemaakt voor de Historische Galerij in het verenigingsgebouw van Arti et Amicitiae aan het Rokin te Amsterdam.

Cornelis Springer (1817-1891), 
Het Valkhof in het jaar 800, 1862




 

28 november 2024

Werenfried en Liudger.


Werenfried en Liudger

De Betuwe lag vanaf halverwege 7e eeuw binnen de invloed van de tot het christendom bekeerde Franken. In 726 schonk Karel Martel zijn landgoederen rond Elst aan bisschop Willibrord. Mogelijk vindt daar de eerste kerkstichting door Werenfried van Elst in Gelderland plaats. Met behulp van monniken stichtte hij een kloostergemeenschap om daar de heidense volken te kerstenen. Liudger kreeg opdracht van Karel de Grote de kerstening in het westelijk deel van het Saksisch gebied (de huidige Achterhoek) te kerstenen. Hij stichtte kerken in Wichmond en Zelhem. Nadat het Saksisch gebied definitief was onderworpen, werd Liudger in 805 tot bisschop van Münster gewijd. Een groot deel van de Achterhoek maakte in de middeleeuwen deel uit van dit bisdom.
Werenfried van Elst of Sint-Werenfridus (Duitsland, datum onbekend – Westervoort, 14 augustus 760) was een Ierse prediker en de patroonheilige van Elst. Hij predikte in de 7e en 8e eeuw na Chr. in de Betuwe het christendom, in het rijk van de Friese koning Radboud. Later is hij heilig verklaard.
Werenfridus maakte deel uit van het benedictijnerklooster van Rathmelsigi in Ierland. Hij ging rond 690 naar het land der Friezen en kreeg de taak om in het westelijk deel daarvan het evangelie te prediken. Werenfridus zetelde zich aanvankelijk in het huidige Wervershoof, waar zijn priesterwoning stond, maar trok later via Dorestad door naar de Betuwe en het gebied daaromheen, om ook daar de christelijke leer te verspreiden. Dorestad was in de middeleeuwen een belangrijke en succesvolle interregionale handelsplaats. De bloeitijd was van het einde van de 7e tot het midden van de 9e eeuw. De plaats was gelegen op de plek waar later Wijk bij Duurstede zou ontstaan, bij de splitsing van de rivier de Rijn en de Lek.
Werenfridus stierf op 14 augustus 760 in Westervoort en werd begraven in de kerk in Elst.

Liudger, ook Lüdger of Ludgerus (Zuilen bij Utrecht, 742 – bij Billerbeck, 26 maart 809)

was een Friese missionaris en rooms-katholieke bisschop. Hij was de broer van Hildegrim van Châlons. Hoewel later aangeduid als de 'apostel der Groningers', was hij een 8e-eeuwse missionaris in het gebied der Friezen. Het grootste deel van de huidige provincie Groningen was toen Fries gebied. Hij voltooide het werk waarvan evangeliepredikers als Willibrord en Bonifatius de grondleggers zijn geweest. In 777 begon Liudger zijn apostelwerk in Deventer. Hier herbouwde hij de door de Saksen verwoeste kerk van Sint Lebuïnus. In een droom zou een engel hem de plek van het graf van Lebuïnus hebben gewezen en daarop bouwde hij de nieuwe kerk. Zijn werkzaamheden breidden zich uit naar het noorden, tot in de verste uithoeken van het Friese Zeerijk. Aan het eind van iedere zomer zeilde hij vanuit Stavoren naar Utrecht om daar tijdens de herfstmaanden les te geven aan de kloosterschool.

Zijn voorgangers, met name Bonifatius, hadden weinig succes geboekt in de noordelijke streken; Bonifatius was in 754 bij Dokkum gedood. Liudger had echter het grote voordeel dat hij de landstaal sprak. Karel de Grote had in 783 de heidense Saksische vorst Widukind verslagen, waardoor het gebied ten oosten van de Lauwers bij het Frankische Rijk kwam. In 786 kreeg Liudger de opdracht Hugmerchi, Hunusga, Fivilga, Emisga, Federitga en het eiland Bant te kerstenen. Hierin zijn de Groninger gouwen en de Oost-Friese gebieden Eemsgo en Federgo te herkennen. Het eiland Bant is verdwenen in het Oost-Friese wad. Tijdens de opstand van Unno en Eilrad in 793 moest Liudger vluchten uit Oosterlauwers Friesland.[3] Hij kwam terug toen de rust weerkeerde.
Begin jaren 90 van de 8e eeuw kreeg Liudger op instigatie van koning Karel de Grote een nieuwe missietaak; de kerstening van het toen net gepacificeerde Saksenland. Tussen 794 en 800 verkreeg hij grondbezit in Wichmond onder Zutphen en stichtte hij een kerk waar hij relieken van Sint Salvator (meegenomen uit Rome) onderbracht. De Wichmondse kerk stond op de rand van het Frankisch gezinde en al deels gekerstende gebied 'Hamaland'. Vandaar ging de kersteningstocht verder via onder meer Zelhem (801) en Billerbeck naar zijn nieuw op te richten missiepost in Mimigernaford dat hij omdoopte tot Monasterium (= klooster, nu Münster). In 805 werd hij door de aartsbisschop van Keulen, Hildebold, als eerste bisschop van Münster ingewijd.
Bij het Münsterse diocees hoorde het huidige Münsterland en een deel van de oostelijke Achterhoek, verder het land rond Essen-Werden. Ook de Groninger gouwen hoorden bij dit diocees. Deze territoria lagen dus erg verspreid.



 Beeld van de ontmoeting van Liudger en Bernlef 
in de kerk van Lochem, Gelderland

Een belangrijke rol in de verbreiding van Liudgers bekendheid heeft volgens zijn levensbeschrijving door zijn neef Altfridus de genezing van de blinde bard, Bernlef, gespeeld. Tijdens een van zijn reizen door het Groningerland ontmoette Liudger deze dichter in Helwerd. Hij trachtte Bernlef tot het christendom te bekeren. Bernlef zei daarop tegen Liudger: "Als uw God zo machtig is, toon mij dan een teken". Liudger legde daarop zijn handen op de ogen van de bard en sprak een gebed uit, waarna de blinde man weer kon zien. Het verhaal van deze genezing zou als een lopend vuurtje rond zijn gegaan.
Het verhaal van Liudger en Bernlef wordt onder andere verbeeld op een van de gedenkramen in het Academiegebouw van de Groninger universiteit.
Raam van Johan Dijkstra in het
Academiegebouw in Groningen
met Liudger en Bernlef.


 

27 november 2024

Na de val van het Romeinse rijk

 


Betrekkelijke rust
Na de Bataafse Opstand bleef het 200 jaar relatief rustig. Zuidelijk van de Limes werden de goede landbouwgronden opgedeeld in percelen waarop soms een villa werd gebouwd. 

De Romeinse villa's die werden gebouwd op het platteland kunnen worden ingedeeld in twee verschillende typen: de villa urbana en de villa rustica. 
  • De villa urbana diende als woonhuis voor een rijke stedeling. Dit type villa kwam overeen met wat men nu onder een villa verstaat; een luxueuze, vrijstaande woning. Ze was gelegen op maximum twee dagen reizen van een stad.
  • De villa rustica was een herenboerderij waaromheen onderkomens voor het personeel, de stallen voor het vee, voorraadschuren en landerijen lagen. In de villa rustica woonden permanent dienaren of slaven die werkten voor de eigenaar.

In Nederland kwam vrijwel uitsluitend het villa rustica-type voor. Er is in Nederland slechts één, mogelijk twee villae urbanae opgegraven, namelijk de Romeinse villa Plasmolen op de Kloosterberg te Mook en (mogelijk) de Romeinse villa Backerbosch te Cadier en Keer (beide met een façade van ruim 80 m breedte). Op de Zuid-Limburgse lössgronden zijn ongeveer 65 villae rusticae opgegraven. De grootste, met een erf van ruim 8 ha en een voorgevel van onbekende breedte en 22,5 m diepte, was de Romeinse villa Meerssen-Onderste Herkenberg. Ook verder naar het noorden, in de Maasvallei en het rivierengebied, lagen veel villae, waarvan er echter maar weinig zijn opgegraven. Voorbeelden zijn de villae te Maasbracht, Hoogeloon en Houten, en de vrijwel compleet opgegraven villa-achtige nederzetting te Druten-Klepperhei. In de kuststreek lagen waarschijnlijk geen volledig geromaniseerde villae. Hier zijn slechts enkele villa-achtige nederzettingen opgegraven, zoals in Rijswijk en Katwijk.

Er werden nieuwe plaatsen door de Romeinen gesticht zoals Nijmegen. De Germaanse bevolking werkten op Romeinse landerijen, oefenden ambachten uit of dienden in het Romeinse leger. Zo was er de Romeinse dienstplicht ingevoerd waar het mannelijk deel van de bevolking aan werd onderworpen. Economisch gezien was deze cultuur voor het grootste deel op de behoeftes van Romeinse garnizoensplaatsen langs de Rijn gericht. Vanuit het noorden vielen Germaanse stammen regelmatig Romeinse grensnederzettingen aan. De Val van het West-Romeinse Rijk betekende een einde aan 400 jaar strijd tussen Germaanse volken en de Romeinen. 

Met de Val van het West-Romeinse Rijk bedoelt men de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476 door Odoaker. Hier gingen twee eeuwen aan vooraf waarin de keizers hun greep op steeds meer gebieden verloren, het rijk al geplunderd was door verschillende volkeren en generaals van zowel Romeinse als Barbaarse afkomst al meerdere marionettenkeizers op de troon hadden gezet. De afzetting van de laatste keizer wordt dan ook vaak gezien als een symbolisch einde van het eens zo machtige Romeinse Rijk waar allang niet meer veel van over was. Het keizerlijke hof was toen al in Ravenna gevestigd omdat dit beter te verdedigen was. De val van het West-Romeinse rijk luidde het begin van de middeleeuwen in.

Dat werd gevolgd door de Grote Volksverhuizing toen de Germaanse stammen van de Vandalen, Sueven en Alamannen in 406 de Rijn over staken en oprukten naar het zuiden. De Vandalen trokken daar plunderend door Gallië en staken in 409 zelfs de Pyreneeën over. In het noordoosten van het gebied Gelderland is nog altijd een Nedersaksische cultuur bewaard gebleven met oeroude kenmerkende tradities.

Routes van de Germaanse invasies tijdens 
de Grote Volksverhuizing

Rond het begin van onze jaartelling bestonden de Germanen uit een groot aantal stammen. Ze streden vaak tegen de Romeinen die hun woongebied, dat door de Romeinen met de ruime term 'Germanië' werd aangeduid, probeerden te veroveren. Door in 9 n.Chr. de Romeinse generaal Varus te verslaan in het Teutoburgerwoud konden ze ten oosten van de Rijn definitief hun onafhankelijkheid bewaren. Nadien waren de betrekkingen met de Romeinen lange tijd redelijk vreedzaam en leverden ze zelfs hulptroepen aan het Romeinse leger. Sommige Oost-Germanen bekeerden zich al in de vierde eeuw tot het christendom. Zij kozen echter voor een niet-orthodoxe variant: het arianisme.

In het arianisme wordt het dogma van de drie-eenheid niet geaccepteerd. Zowel Jezus als de Heilige Geest worden gezien als scheppingen van God, die ondergeschikt zijn. Jezus is hierbij alleen ondergeschikt aan God, terwijl de Heilige Geest ondergeschikt is aan zowel Jezus als God. In eenvoudige woorden kan het verschil tussen orthodoxie (de oosters-orthodoxe kerken, rooms-katholieke kerk en (de meeste) protestantse kerken) en arianisme als volgt worden samengevat: de orthodoxie stelt dat Jezus God en mens is, het arianisme spreekt over godgelijkend.

Toen vanaf de derde eeuw het Romeinse Rijk begon af te takelen begonnen de Germanen eerst plundertochten te ondernemen in het verzwakte Rijk. Later vestigden veel stammen zich zelfs op Romeins grondgebied en rond het midden van de 5e eeuw namen ze het West-Romeinse Rijk geheel over waarna ze zich in heel West-Europa vestigden. In een aantal dunbevolkte noordelijke grensgebieden van het voormalige Romeinse Rijk werden zo Germaanse talen voorgoed de voertaal. Dat geldt voor Engeland (waar de Angelsaksische invasies overigens pas in de 5e eeuw begonnen), Vlaanderen en Nederland beneden de rivieren maar ook voor Oostenrijk en een groot deel van Zwitserland (zie verder Taalgrens). In de dichtbevolkte zuidelijke delen van het Romeinse Rijk waren de Germanen maar een dunne bovenlaag die uiteindelijk opging in een Romaans sprekende bevolking zoals in Frankrijk ofwel vernietigd werden door de Byzantijnen zoals de Goten (deels) en de Vandalen.


26 november 2024

Bataafse Opstand (deel 2)

 


Bataafse opstand (vervolg)

En er gebeurde nog iets opmerkelijks. In de enige uitvoerige bron die van de opstand van de Bataven is overgeleverd, Historiën, schreef de Romeinse auteur Tacitus: ‘Civilis had naar barbaarse gelofte zijn haar rood geverfd en laten groeien zodra hij de wapens tegen de Romeinen had opgepakt. Nu, na de slachting onder de legioenen, liet hij het knippen.

Tacitus
Vervolgens diste Tacitus een gruwelijke roddel op, die klaarblijkelijk te smeuïg (en prettig barbaars) was om de lezer te onthouden. ‘Voorts ging het verhaal dat hij [Civilis] zijn zoontje een paar krijgsgevangenen gaf als schietschijf voor pijlen en oefensperen.’
Civilis had zijn haar veel te vroeg gekortwiekt, want hoewel hij na de inname van Vetera nog ongehinderd Trier (Colonia Treverorum) kon innemen en een trits Romeinse legerplaatsen langs de Limes vernietigde, herpakten de Romeinen zich kort daarna. In Rome had de nieuwe keizer Vespasianus inmiddels de rust in het rijk hersteld en vanuit heel Zuid-Europa waren legioenen onderweg om de opstand van de Bataafse barbaren aan de noordgrens neer te slaan.
Voor deze klus was de doortastende Quintus Petilius Cerialis als opperbevelhebber aangesteld. Tacitus schrijft: ‘Zijn komst wekte hoop aldaar. Zelf wilde hij niets liever dan vechten, want neerzien op vijanden ging hem beter af dan behoedzaam optreden, en met woeste woorden stookte hij zijn soldaten op: bij de eerste de beste gelegenheid om slaags te raken zou hij geen moment meer wachten!’

Vespasianus

Meteen na aankomst in het Rijnland bevestigde hij zijn reputatie met de herovering van Trier; met deze man viel duidelijk niet te spotten. Een nachtelijke guerrilla-achtige tegenaanval van Civilis’ en Classicus’ troepen op het Romeinse legerkamp even buiten de stad liep op een drama uit toen ze te laat doorkregen dat Cerialis zelf buiten het kamp overnachtte. De aanvallers waren al aan het plunderen geslagen toen Cerialis plotseling op het toneel verscheen en zijn in paniek geraakte soldaten opnieuw wist te motiveren tot de strijd. De Bataven, alleen gefocust op het vergaren van buit, werden alsnog verslagen.
Het strijdtoneel verplaatste zich nu naar Nederlands grondgebied. Nijmegen (Oppidum Batavorum, de Stad der Bataven) werd aan de Romeinen prijsgegeven en Civilis trok zich met zijn Treveerse medeopstandelingen terug in de Betuwe (Insula Batavorum). Van daaruit begonnen de wapenbroeders met hernieuwde energie aan de organisatie van een nieuw tegenoffensief.
 
Romeinse schepen op de rivieren

Met wisselend succes werden vier Romeinse stellingen aangevallen – Nijmegen, Rindern (Arenacum), Rossum (Grinnes) en Heerewaarden (Vada) – en het was alleen te danken aan zijn zwemtalent dat Civilis de strijd overleefde. De opstandelingenleider die met zijn troepen bij Heerewaarden vocht, werd door de Romeinen herkend en tijdens de achtervolging de Waal in gedreven. Daarbij moest Civilis zijn paard op de oever achterlaten om het vege lijf te kunnen redden.

Cerialis op zijn beurt had zijn leven kort daarna opmerkelijk genoeg te danken aan zijn libido. Tijdens een bliksemaanval op zijn konvooi, waarbij de Bataven een bloedbad aanrichtten, bevond de commandant zich buiten het kamp in het bed bij een lokale Ubische vrouw. Het avontuurtje redde hem van een wisse dood. Hierop trok hij met zijn troepen opnieuw naar de Betuwe en verwoestte daar alles wat hij tegenkwam, behalve de landerijen van Civilis, om hem verdacht te maken bij zijn stamgenoten.

Maar door zware herfstregens en het uitblijven van versterking liep zijn opmars vast. Cerialis stuurde daarop een boodschap naar Civilis waarin de Bataven vrede en amnestie werden aangeboden. De twee leiders besloten tot een onderhoud op een brug in de rivier de ‘Nabalia’ – welke rivier wordt bedoeld is niet duidelijk.

En precies daar, op het moment suprême, wanneer Civilis en de Romeinse opperbevelhebber Cerialis tegenover elkaar staan en de Bataafse opstandelingenleider begint te spreken, eindigt de overgeleverde tekst van Tacitus, midden in een zin zelfs. Civilis zou hebben gezegd dat Vespasianus en hij altijd vrienden waren geweest. Hij koos in feite weer de kant van Rome. Het meest waarschijnlijke scenario is dan ook dat de Bataafse opstand hier definitief eindigde; zeker weten doen we het echter niet.

Hoe het is afgelopen met Julius Civilis weet niemand. Misschien heeft hij dankzij de vredesonderhandelingen met Cerialis zijn hachje weten te redden. Maar de kans is ook aanwezig dat hij hetzelfde lot heeft ondergaan als die andere barbaar, de Galliër Vercingetorix, die het een eeuw eerder al waagde de wapenen op te nemen tegen de Romeinen. Na jaren in een kerker opgesloten te hebben gezeten, stierf hij in het openbaar een gruwelijke dood aan de wurgpaal.
Met dank aan Hans Teitler en Olivier Hekster.




25 november 2024

Bataafse opstand


De Bataafse opstand.

De Bataafse Opstand, ook wel de opstand van de Bataven of opstand van de Batavieren genoemd, was een opstand (69 – 70) van de (vermoedelijk) West-Germaanse Bataven onder leiding van Gaius Julius Civilis in de militaire provincie Neder-Germanië (Germania Inferior). Kortweg kwam het erop neer dat de bewoners van de Lage Landende Romeinse overheersing niet meer pikten. Dus ontstond er een opstand, maar wel een met een voorgeschiedenis.

Gaius Julius Civilis

De Bataven onderhielden reeds vriendschappelijke relaties met de Romeinen ten laatste vanaf 15 v.Chr., toen Drusus een legerkamp (castra) op de Hunnerberg (in het huidige Nijmegen) bouwde. De Bataven waren bondgenoten (socii) van het Romeinse Rijk en vochten in vele veldslagen aan de kant van Rome. In de strijd tegen Arminius in Germania en (onder andere) Boudica (61) in Britannia verwierven de Bataven zich grote roem, wat niet altijd door de toenmalige keizer Nero werd gewaardeerd.

Nero was de vijfde en laatste keizer van de Julisch-Claudische dynastie, de familie die van 27 v.C. tot 68 n.C. de heersers van het Romeinse Rijk voortbracht. Zijn voorganger Claudius (10 v.C. – 54) adopteerde hem en werd vervolgens vermoord, waarschijnlijk door Agrippina Minor (15-59), zijn echtgenote en de moeder van Nero. Na de dood van Claudius kreeg Nero de steun van de keizerlijke garde en de senaat. Van iedere keizer werd een buitengewone vrijgevigheid verwacht. Hij financierde openbare gebouwen, gaf spelen, schonk graan en olie aan het volk en doneerde geld aan soldaten en vrienden in financiële nood. Claudius stelde daarbij twee nieuwe legioenen aan en begon aan een aantal dure bouwprojecten; zaken die zwaar op de staatskas drukten. Een lastig begin voor Nero, die in 54 het keizerlijke stokje overnam. Deze achtergrond verklaart deels waarom Nero in zijn laatste regeringsjaren, van 64 tot en met 68, financieel in de problemen kwam. Daarbij gaf hij simpelweg te veel uit. De keizer financierde talloze bouwwerken en organiseerde buitensporig grote spelen waarbij de toeschouwers werden overspoeld met geschenken. De bodem van de staatskas kwam in zicht nadat in de zomer van 64 een enorme brand uitbrak die grote delen van Rome in de as legde. Winkels, woningen, kunstwerken, tempels: weinig bleef gespaard. De wederopbouw kostte de staat een vermogen. Denk alleen al aan de kosten van de tijdelijke huisvesting en voedselhulp voor de duizenden daklozen en het herstel of zelfs de vervanging van openbare gebouwen.


Keizer Nero

In het voorjaar van 68 kwam Vindex, de gouverneur van Gallia Lugdunensis, in opstand tegen keizer Nero: het begin van het Vierkeizerjaar, de eerste Romeinse burgeroorlog in bijna honderd jaar. Lucius Verginius Rufus, de gouverneur (legatus pro praetore) van Opper-Germanië (Germania Superior), trok Vindex tegemoet en versloeg hem bij Vesontio, het hedendaagse Besançon. In juni pleegde Nero zelfmoord en werd Galba keizer. Rond deze tijd werden de Bataafse legeraanvoerders en broers Gaius Julius Civilis en Julius Paulus door Fonteius Capito, de gouverneur van Neder-Germanië, valselijk beschuldigd van rebellie. Julius Paulus werd in september 68 terechtgesteld en Civilis werd naar Rome afgevoerd. Later werd hij vrijgelaten en kon hij terugkeren, maar deze gebeurtenissen hadden veel kwaad bloed gezet bij zijn volk. Hordeonius Flaccus, de nieuwe legaat van Opper-Germanië die de door Galba afgezette Verginius Rufus had vervangen, stuurde vanwege de onrust bij de Bataven een detachement (vexillatio) van het 8e legioen naar Oppidum Batavorum (Nijmegen).

Vitellius had door middel van dwang en corruptie jonge Bataven laten werven ter versterking van zijn legers. Daarbij werden de rekruten op grote schaal seksueel misbruikt en vernederd. Het was voor Civilis de druppel, want Rome was eerder al verantwoordelijk voor de standrechtelijke executie van zijn broer Julius Paulus. Die was samen met Civilis valselijk van rebellie beschuldigd. Civilis was ternauwernood ontsnapt aan de dood, maar was vol wrok vanuit Rome teruggekeerd in zijn vaderland. Het was een goed moment om in opstand te komen tegen het Romeinse gezag, want Rome was ten prooi gevallen aan een burgeroorlog. Na de dood van keizer Nero werden in één jaar drie opvolgers vermoord. De laatste was Vitellius.


De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis 
volgens Rembrandt van Rijn

In het jaar 69 pikten de inwoners van de Lage Landen het niet meer. Onder leiding van de Bataaf Julius Civilis kwamen ze in opstand tegen het machtige Rome. In het begin zelfs met succes.
Woest uitziende mannen met ontbloot bovenlijf of gehuld in dierenhuiden rijden op paarden over een zompige vlakte. De troep Cananefaten en Friezen is op weg naar de Romeinse legerkampen in het huidige Katwijk (Lugdunum) en Valkenburg (Praetorium Agrippinae). Dat ze geen vreedzame bedoelingen hebben, wordt duidelijk wanneer ze onder luid gejoel de kampen binnenstormen en de Romeinse soldaten tot de laatste man ombrengen en de tenten, omheining en wachttorens in brand steken. Romeinen die verderop langs de Limes, de noordgrens van het Romeinse Rijk, bivakkeren, slaan in paniek op de vlucht.
Het is de nazomer van het jaar 69 als de opstand der Bataven – een volk dat in de Rijn-delta leeft – met deze verrassingsaanvallen begint. Aanstichter van dit alles: Julius Civilis, een Bataaf, maar ook een Romeins burger. Jarenlang had hij, net als tienduizenden stamgenoten, tot grote wederzijdse tevredenheid in het Romeinse leger gediend, maar nu keerde hij zich tegen zijn broodheer. Tijdens een ceremoniële bijeenkomst had hij de oorlog verklaard aan Rome, al verdoezelde hij dat in eerste instantie. Gedurende de eerste maanden suggereerde hij dat hij alleen tegen de zittende keizer Vitellius vocht.
Vitellius
Civilis raakte met zijn opstand, die op ‘Nederlandse’ bodem begon, een gevoelige snaar bij omwonende stammen. Zij waren net als de Bataven ingelijfd bij het Romeinse Rijk en het Bataafse verzet deed ook bij hen onafhankelijkheidsvuur oplaaien. Behalve de Cananefaten en de Friezen aan de Noordzee-kust, sloten zich ook verschillende Germaanse en Gallische stammen aan bij het verzet tegen het Romeinse Rijk. Tijdens een geheime bijeenkomst in Keulen verbonden Julius Classicus uit Trier met zijn ruiters, de Lingoon Julius Sabinus uit het Franse Langres en Classicus’ stamgenoot Julius Tutor zich aan de onafhankelijkheidsstrijd.


De door hen geleide cohorten deserteerden uit het Romeinse leger en verzwakten de positie van de vijand aanzienlijk. De Romeinse generaal Hordeonius Flaccus en zijn onderbevelhebber Dillius Vocula moesten het massale overlopen van hun legers met de dood bekopen. Beiden werden door de opstandelingen omgebracht.
De rebellen wisten handig gebruik te maken van de chaos die hun opstand veroorzaakte. Zo stuurde Classicus zogenaamde onderhandelaars naar het door Civilis ingesloten Vetera (een plaatsje nabij Xanten) met de boodschap dat de Romeinse legers langs de Rijn in ontreddering uiteen waren gevallen. De Rome-gezinde troepen, uitgeput door de belegering, gaven zich daarop meteen over, maar ontkwamen vervolgens niet aan de moordzucht van Civilis’ troepen. Vetera zelf werd door de opstandelingen geplunderd en in brand gestoken.

Het lijkt er dus op dat de Romeinen zijn verslagen. Asterix en Obelix zijn er dus toch, maar leven noordelijker. In een volgend blog kijken we verder naar het verdere verloop



24 november 2024

Eerste stapjes of stappen. (Deel 2)

 


Het Romeinse Rijk

De Chatten, Cherusken en Bataven waren enkele van de Germaanse volken die rond het begin van onze jaartelling nabij de grens van het Romeinse Rijk leefden. Ten noorden van de Liemers (vanaf Duiven en Zevenaar vandaar in de richting van het westen) zal globaal de grenslijn zijn geweest. Ten noorden van die lijn zoals in Doetinchem werden sporen van Romeins aardewerk gevonden, wat er op kan duiden dat er minstens handelscontacten moeten zijn geweest. De Germaanse volken waren vanwege hun strijdbaarheid en moed erg berucht bij de Romeinen. De Romeinen hebben door aanhoudend Germaans verzet afgezien, om zich permanent ten noorden van de Rijn te vestigen. De Romein Tacitus noemt de Chatten al in zijn verslagen bijvoorbeeld in 'De origine et situ Germanorum'. De Bataven zouden oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de Chatten, maar een groep splitste zich na een conflict daarvan af. Veel stammen leefden in kleine nederzettingen, bestaande uit langhuisboerderijen. Hierin leefden meestal verschillende generaties grootfamilie en vee gezamenlijk onder een dak. Hun huizen waren van hout, al dan niet met leem bestreken vlechtwerk wanden met een strodak. 

Voorbeeld van een langhuis uit de Vikingtijd

Een langhuis is een lange woning en boerderijtype, vaak met een aantal bijgebouwen. Er zijn verschillende typen langhuizen. Het langhuis werd en wordt gebouwd door mensen in verschillende werelddelen. Toen de mens zich in Centraal- en West-Europa begon te vestigen in een min of meer permanente woonplaats en van jager-verzamelaar overschakelde naar landbouw had hij behoefte aan een vaste woning. Verondersteld wordt dat het gebouw geen ramen en deuren had. Vermoedelijk diende het donkere uiteinde voor opslag van o.a. graan, het middendeel als slaapvertrek en het voorste deel als werkplek. Er zijn sporen teruggevonden van nederzettingen met zes tot zeven huizen die elk 20 tot 30 mensen konden huisvesten. Structureel was het huis een gebouw van 20m bij 7m met een zadeldak. Een centrale rij palen droegen balken in de lengterichting. De dakbalken die daarop lagen liepen gedeeltelijk door tot in de fundering waardoor er dus maar een heel lage muur was die niet diende om het dak te dragen.

Kaart van het Romeinse Rijk uit de 2e eeuw. 
In het zuidwesten van Magna Germania bevindt zich 
het leefgebied van de Chatten (Chatti).

De Limes (grens) van het Romeinse rijk liep dwars door Nederland, van de Noordzee langs de Rijn en Donau naar de Zwarte Zee. Zuidelijk van de Rijn lagen Romeinse forten en wachttorens verbonden door een weg. De oudste Romeinse resten zijn die van een grote castra op de Hunnerberg uit 15 voor Christus. Deze is slechts enkele jaren in gebruik geweest. Tussen 10 na Christus en 69 na Christus bouwden Romeinse soldaten de stad Oppidum Batavorum. Oppidum Batavorum groeide uit tot een nederzetting van Gallo-Romeinse handwerkslieden, handelaren, ambtenaren en magistraten. De Bataafse nederzettingen bevonden zich ten noorden van de Waal bij Lent en Oosterhout, waar vele vondsten uit de Romeinse tijd zijn gedaan. Belangrijk is in dit verband de zogenoemde godenpijler, die door de Maastrichtse stadsarcheoloog Titus Panhuysen op 17 na Christus wordt gedateerd, wat overeenkomt met het beëindigen van de campagnes van Germanicus tegen de Cherusken. Uit deze zuil en de vondsten op het Kopse Plateau kan worden geconcludeerd dat zich in Romeins Nijmegen een belangrijke Romeinse commandocentrale heeft bevonden.

De Limes is nooit een stabiele grens geweest, maar wel de scheiding - volgens de Romeinen - tussen de beschaafde wereld en de barbaren. Keizer Augustus, regerend van 27 voor Chr. tot 14 na Chr., was de eerste die na verovering van de Alpen en Spanje grenzen voorstelde, in het noorden tot aan de Elbe. Rond 19 voor Chr. waren er twee legioenen gelegerd op de Hunerberg in Nijmegen, langs de Rijn werden forten aangelegd, van waaruit generaal Nero Claudius Drusus van plan was om de delen ten noorden van de Rijn te veroveren. Drusus, die de bijnaam "Germanicus" kreeg, zijn zonen en anderen ondernamen wel veldtochten naar het noorden en stichtten kortstondig de provincie Germania, met grenzen tot aan de Elbe, maar na o.a. de nederlaag in de Slag bij het Teutoburgerwoud werd de Rijn weer de noordelijke grens vanaf Katwijk aan de Noordzee tot aan de Moezel, en daarvandaan naar de Donau, die de grensrivier werd tot aan de Zwarte Zee.

De limes Germanicus is ontstaan toen de Romeinen in 47 na Chr. definitief van de verovering van Germania afzagen. Belangrijk daarbij was de Varusslag in 9 na Chr. in het Teutoburgerwoud, waarbij drie Romeinse legioenen in een hinderlaag werden afgeslacht. Op bevel van keizer Claudius I trokken de Romeinen zich terug op de zuidoever van de Rijn, die de natuurlijke noordgrens werd. Om de grensstreek te verdedigen werden langs de Rijn forten (latijn: castra en castella, enkelvoud castrum en castellum) gebouwd om militaire legioenen en hulptroepen te huisvesten. Ook werden kades, havens, wachttorens en wegen aangelegd. De eerste gebouwen werden uit hout opgetrokken. Bij de militaire vestigingen waren, of ontstonden, ook burgernederzettingen.

De limes was niet alleen bedoeld om het gebied aan de overzijde van de rivier te beheersen en vijandelijke invallen onmogelijk te maken of te bestrijden. De militaire voorzieningen waren ook en vooral bedoeld om controle uit te oefenen over de Rijn als belangrijkste verbinding tussen het Duitse Rijnland en Brittannië. Daarbij speelde ook een rol dat bevoorrading van de legioenen vanuit het centrum van het Rijk via de Rijn aanzienlijk eenvoudiger was dan via de Elbe.


23 november 2024

Eerste stapjes of stappen. (Deel 1)


Het is maar hoe je het bekijkt: stapjes of stappen naar het ontstaan van het hertogdom Gelre rond het jaar 1000. Maar laten we met grote stappen de kleine vooruitgang bekijken. 

De Wichardsage ook wel bekend als de Draak van Gelre is een sage over de ontstaansgeschiedenis van de naam van Gelderland en de herkomst van de mispelrozen in het (oude) wapen van Gelderland.

Sage:

"In het jaar 878, toen Karel de Kale keizer van Rome was, lag er in het land onder Keulen een groot veld, dat deel uitmaakte van het gebied van de heer van Pont. Tegenwoordig ligt het in de provincie Limburg, maar vroeger behoorde het tot Gelderland. Midden op dit veld stond een grote mispelboom, waaronder een gevaarlijke en venijnige draak woonde. Dit dier werd door iedereen gevreesd omdat het alle mensen en beesten verslond die binnen zijn bereik kwamen. In de nacht kon men zijn vurige adem van verre zien gloeien of hoorde men zijn kreten: Gelre! Gelre! Het ondier was door de hel uitgebraakt en alle levende wezens in de omtrek stierven alleen al door zijn verpestende adem. De bewoners van die streek verlieten er het land om, en ze zouden wellicht allemaal zijn weggetrokken, als ze niet van het monster waren verlost. Heer Otho van Pont had twee kloeke zonen: de oudste, genaamd Lupold en de andere Wychaert of Wichard. Wichard was in stilte verloofd met Margaretha, de mooie dochter van Herman van Hameland. Hoewel moedig en onverschrokken van aard, had Wichard nooit gelegenheid gehad hiervan blijk te geven. Op een mooie vroege ochtend zei Wichard tot zijn vader: "Vader, ik wil vandaag naar Hameland rijden om aan heer Herman openlijk om de hand van de knappe Margaretha te vragen. Wat vindt u hiervan?" "Doe dat mijn zoon," sprak heer Otho, "ik wil graag Margaretha als mijn dochter ontvangen en heer Herman is een wijs en goed man. Groet hem uit mijn naam." Zo gebeurde het dat Wichard op de binnenhof zijn grote paard besteeg en vrolijk de poort uitdraafde, op weg naar heer Herman in Hameland. Blij en opgewekt reed hij tussen de in de vroege morgendauw zingende vogels. De zon schitterde als een groot juweel, in een koepel van licht. De dag was net begonnen en terwijl het paard overmoedig over de weg draafde, neuriede zijn berijder een vrolijk wijsje.             

Een eind op weg kwam hij een processie tegen. Het was een grote en aanzienlijke stoet en Wichard bleef eerbiedig aan de kant van de weg staan om de vrome priesters en monniken voorbij te laten. Nadat ze voorbij getrokken waren, vroeg hij een boer waartoe deze processie diende en de boer vertelde hem omstandig dat de heilige mannen op weg waren om met gebeden de draak te verdrijven. Men had het al zo vaak geprobeerd, maar steeds zonder resultaat; en nu was de bisschop er zelfs voor overgekomen. In de ruime zaal zat heer Herman in een fraai gesneden armstoel, dicht bij een klein, knapperend haardvuur. Aan de andere kant van de haard zat Wichard op een eiken bank. Na een tijdje zwijgen sprak de grijsaard zacht: "Wichard, ik geloof graag dat u van elkaar houdt, maar u bent beiden nog heel jong. Ik wil aan uw moed niet twijfelen noch uw kracht onderschatten, maar u moet de eerste daad nog verrichten, waarmee u de ridderslag verdienen kunt. Ik weet wel dat we op het ogenblik gelukkig in vrede leven en de gelegenheid zich hiertoe aandienen moet; maar men zou mij nu terecht kunnen verwijten mijn dochter aan een onervaren knaap te hebben uitgehuwelijkt. Er zijn meerdere kloeke ridders die naar Margaretha's hand dingen en al houdt ze alleen van u en zou ik gaarne mijne toestemming geven, kom met uw verzoek maar op een later tijdstip terug. U moet eerst de wereld tonen dat u even goed met de ridderlijke deugden vertrouwd bent als met uw boeken." De jongeling staarde lange tijd teleurgesteld in het vuur, toen stond hij op, nam de hand van de grijsaard en zei: "Heer Herman, mijn vader roemt u als een wijs en verstandig man en ik twijfel niet dat u ook in deze zaak gelijk zult hebben, al is het mij een grote teleurstelling. Laat mij nu gaan. Ik zal proberen u spoedig als schoonzoon waardig te zijn. Ik kom snel terug of in het geheel niet." "Het zij zo," antwoordde heer Herman. "Ik hoop u evengoed spoedig weer te zien."

Zij drukten elkaar hartelijk de hand en nog diezelfde avond reed Wichard naar zijn vaders burcht terug. Heel wat minder vrolijk en luchthartig dan hij die ochtend was uitgereden, steeg hij op het binnenplein af. Na goed gerust te hebben, trok hij de volgende morgen zijn zware uitrusting aan, gespte zijn groot slagzwaard om en na eerst nog zijn beide neusgaten te hebben toegestopt, ging hij te voet naar de plaats waar de draak meestal vertoefde. Zijn paard liet hij thuis, uit vrees dat het dier wellicht verstikt zou worden door de giftige adem van het hellemonster. De dorpelingen die hij in het veld tegenkwam, zagen hem vol vrees na. Menigeen sloeg een kruis en prevelde een gebed voor de moedige jonkheer. Want het verhaal ging rond: hij zou proberen de draak te verslaan. Vol ontzag bleven ze op grote afstand toekijken, toen Wichard zijn grote zwaard ter hand nam en zonder enige aarzeling, helemaal alleen, op het ondier afstapte. Het helgedrocht lag als altijd onder de mispelboom. Ook de laatste processie had geen uitwerking gehad. De draak sperde de ontzaglijke muil wijd open, zijn vuile adem in dikke wolken uitblazend. Groot gloeiden de ogen als vuurballen in de afgrijselijke kop, terwijl hij uit alle macht brulde: Gelre! Gelre!

De dorpelingen zagen Wichard onverschrokken voorwaarts gaan. Ze zagen hoe de draak met klauwen en staart het lenige lichaam van de jonkman omstrengelen wilde. Ze hoorden een hevige worsteling, maar konden niets meer zien door de massa's rookwolken die het monster uitblies. Ze hoorden alleen het geroep: Gelre! Gelre! en Wichards krachtige zwaardhouwen, die wijd in het rond weerklonken. Vol angst en ontzetting stonden allen roerloos en durfden zelfs niet te fluisteren. Nog eenmaal verhief zich met schorre klank het vreselijke geroep: Gelre! Gelre! Tot onverwachts de bruine stinkende walm optrok en Wichard ongedeerd tevoorschijn trad. De draak lag zieltogend aan zijn voeten. Met de dolk, die al door 27 voorouders met eer gedragen was en waaraan geen enkele smet van onrecht kleefde, had hij ten slotte, tussen de platen van het ondoordringbare schubbenpantser door, het monster in het hart getroffen. Het volk juichte de held toe en stoere mannen droegen hem op zijn schild in triomf naar huis, waar hij door zijn ouders en broer dolgelukkig werd omhelsd. Maar hij gunde zich geen tijd voor verdere feestvreugde, liet zijn paard opzadelen en reed naar Hameland.

Het nieuws was hem al vooruitgesneld en toen hij Hermans burcht naderde, stonden Margaretha en haar vader hem al op te wachten. Heer Herman ontving hem als zijn zoon en stemde toe in het huwelijk. Vele dagen lang werd er gefeest en toen Wichard met zijn bruid huiswaarts keerde, stichtte hij met zijn vader een burcht op de plek waar hij de draak verslagen had. Weldra namen de beide jonggehuwden hun intrek in het nieuwe slot, dat ze 'Gelre' noemden. Het dankbare landvolk uit die streek vestigde zich eromheen en zo ontstond een stadje met die naam.Wichard voerde voortaan als wapenteken drie rode mispelbloemen op een schild van goud.

Nadat Wichards broer Lupold en daarna ook zijn vader Otho gestorven waren, werd Wichard graaf van Gelre, beleend met de goederen van zijn vader en zo werd al dat land genoemd naar de kleine veste 'Gelre'."

Saalien

Het ontstaan van Gelderland gaat zo'n 150.000 jaar terug, tijdens de voorlaatste ijstijd. Een periode die we het Saalien noemen. Landijs zorgde toen voor het ontstaan van enorme stuwwallen, waardoor de Veluwe en het kleinere Montferland zijn ontstaan. Bij Schaarsbergen ontstond een grote sandrvlakte (Een sandr (of spoelzandvlakte; outwash plain (Eng)) is een waaiervormige afzettingsvorm die voor een ijskap of gletsjerfront gevormd is.) door sediment uit het smeltwater. Zuidelijk van Harderwijk en bij Nunspeet ontstond tussen het ijs en de gevormde stuwwallen een glaciaal meer, waar zandige en kleiige glaciolacustriene afzettingen gevormd zijn.

Holoceen

Toen het warmer werd brak een nieuwe tijd aan, het holoceen. In het subboreaal moet het gebied langzaam voor bewoning geschikt zijn geraakt. De eerste mensen zullen trekkende jager-verzamelaars rond 5500 voor Christus zijn geweest. Gelderland was waarschijnlijk een waterrijk, bebost gebied met veel vis, watervogels, bevers, reeën en ander wild.

Trechterbekercultuur

De eerste bewoners kwamen vanuit Denemarken en het zuiden van Zweden. Vanaf ca. 7500 v.Chr. verspreidden zij de Maglemosecultuur over een groot deel van noordelijk Europa, waarna de Kongemosecultuur en de Ertebøllecultuur elkaar snel moeten hebben gevolgd. In Gelderland namen omstreeks 4000 en 3200 v.Chr. de Neolithische trechterbekercultuur hun plaats in. De eerste bewoners in Gelderland worden gevonden op hoger gelegen delen in de Achterhoek en de Veluwe op de hoger gelegen zandgebieden waar talrijke grafheuvels nog altijd stille getuigen zijn van hun aanwezigheid. Men noemt hen Trechterbekervolk naar het gevonden aardewerk dat zij maakten, de zogenaamde Trechterbekercultuur. De grafheuvels zijn uit diverse perioden, waarvan iedere periode weer haar eigen gebruiken had. In deze gebieden zijn talrijke grafheuvels gevonden van rond 3000 voor Christus. In Nederland zijn meer dan 3000 grafheuvels geregistreerd waarvan de meeste in Gelderland liggen, vooral op de Veluwe. Alle grafheuvels liggen op hogere gronden ten opzichte van het grondwater. De meeste grafheuvels zijn sinds de jaren 1960 aangewezen als rijksmonument. Zij leveren heden ten dage nog steeds veel onderzoeksmateriaal, waaronder vuistbijlen en potscherven.

Verzameling Trechterbekeraardewerk in het Drents Museum


22 november 2024

Een nieuw blog met onderwerpen over het verleden van Gelderland

 


Het eerste blog is willekeurig. Later gaan we verder aanscherpen. Maar we zoeken een inkijkje in de 13e eeuw. Wat waren toen bijvoorbeeld de gebruiksvoorwerpen. 
Het dagelijks leven in Gelderland in de 13e eeuw werd gekenmerkt door een eenvoudige, maar toch functionele leefstijl. De voorwerpen die men gebruikte waren vaak gemaakt van natuurlijke materialen zoals hout, steen, klei, leer en wol.
Neem bijvoorbeeld de alledaagse voorwerpen, voor huishoudelijk gebruik. In een gemiddeld Gelderlands huis in de 13e eeuw vond je houten tafels en banken, vaak met eenvoudige bewerkingen. Aardewerken potten en schalen werden gebruikt voor het bereiden en serveren van voedsel. Messen, lepels en vorken kende men vrijwel niet. Het eten werd uit de hand gegeten.

 
Kleding werd gemaakt van wol, linnen en leer. Voor de rijkeren waren er ook zijden stoffen beschikbaar. Kledingstukken zoals tunieken, rokken en broeken waren de basis van de garderobe. Schoenen waren van leer en vaak simpel van ontwerp.
Boeren gebruikten eenvoudige werktuigen zoals houten ploegen, sikkels en hakken. Ambachtslieden hadden gespecialiseerde gereedschappen zoals beitels, hamers en aambeelden.
Kaarsen van talg of bijenwas waren de belangrijkste lichtbron. Olielampen werden ook wel gebruikt, maar waren minder gebruikelijk.

Willem V van Kleef (Slot)

  Willem V van Kleef Willem V (Düsseldorf, 28 juli 1516 – aldaar, 5 januari 1592) was hertog van Kleef, Gulik en Berg, graaf van Mark, heer ...