Werenfried
en Liudger
De Betuwe lag vanaf halverwege 7e eeuw binnen de invloed van de tot het christendom bekeerde Franken. In 726 schonk Karel Martel zijn landgoederen rond Elst aan bisschop Willibrord. Mogelijk vindt daar de eerste kerkstichting door Werenfried van Elst in Gelderland plaats. Met behulp van monniken stichtte hij een kloostergemeenschap om daar de heidense volken te kerstenen. Liudger kreeg opdracht van Karel de Grote de kerstening in het westelijk deel van het Saksisch gebied (de huidige Achterhoek) te kerstenen. Hij stichtte kerken in Wichmond en Zelhem. Nadat het Saksisch gebied definitief was onderworpen, werd Liudger in 805 tot bisschop van Münster gewijd. Een groot deel van de Achterhoek maakte in de middeleeuwen deel uit van dit bisdom.
Werenfried van Elst of Sint-Werenfridus (Duitsland, datum onbekend – Westervoort, 14 augustus 760) was een Ierse prediker en de patroonheilige van Elst. Hij predikte in de 7e en 8e eeuw na Chr. in de Betuwe het christendom, in het rijk van de Friese koning Radboud. Later is hij heilig verklaard.
Werenfridus maakte deel uit van het benedictijnerklooster van Rathmelsigi in Ierland. Hij ging rond 690 naar het land der Friezen en kreeg de taak om in het westelijk deel daarvan het evangelie te prediken. Werenfridus zetelde zich aanvankelijk in het huidige Wervershoof, waar zijn priesterwoning stond, maar trok later via Dorestad door naar de Betuwe en het gebied daaromheen, om ook daar de christelijke leer te verspreiden. Dorestad was in de middeleeuwen een belangrijke en succesvolle interregionale handelsplaats. De bloeitijd was van het einde van de 7e tot het midden van de 9e eeuw. De plaats was gelegen op de plek waar later Wijk bij Duurstede zou ontstaan, bij de splitsing van de rivier de Rijn en de Lek.
Werenfridus stierf op 14 augustus 760 in Westervoort en werd begraven in de kerk in Elst.
Liudger, ook Lüdger of Ludgerus (Zuilen bij Utrecht, 742 – bij Billerbeck, 26 maart 809)
was een Friese missionaris en rooms-katholieke bisschop. Hij was de broer van Hildegrim van Châlons. Hoewel later aangeduid als de 'apostel der Groningers', was hij een 8e-eeuwse missionaris in het gebied der Friezen. Het grootste deel van de huidige provincie Groningen was toen Fries gebied. Hij voltooide het werk waarvan evangeliepredikers als Willibrord en Bonifatius de grondleggers zijn geweest. In 777 begon Liudger zijn apostelwerk in Deventer. Hier herbouwde hij de door de Saksen verwoeste kerk van Sint Lebuïnus. In een droom zou een engel hem de plek van het graf van Lebuïnus hebben gewezen en daarop bouwde hij de nieuwe kerk. Zijn werkzaamheden breidden zich uit naar het noorden, tot in de verste uithoeken van het Friese Zeerijk. Aan het eind van iedere zomer zeilde hij vanuit Stavoren naar Utrecht om daar tijdens de herfstmaanden les te geven aan de kloosterschool.
Zijn voorgangers, met name Bonifatius, hadden weinig succes geboekt in de noordelijke streken; Bonifatius was in 754 bij Dokkum gedood. Liudger had echter het grote voordeel dat hij de landstaal sprak. Karel de Grote had in 783 de heidense Saksische vorst Widukind verslagen, waardoor het gebied ten oosten van de Lauwers bij het Frankische Rijk kwam. In 786 kreeg Liudger de opdracht Hugmerchi, Hunusga, Fivilga, Emisga, Federitga en het eiland Bant te kerstenen. Hierin zijn de Groninger gouwen en de Oost-Friese gebieden Eemsgo en Federgo te herkennen. Het eiland Bant is verdwenen in het Oost-Friese wad. Tijdens de opstand van Unno en Eilrad in 793 moest Liudger vluchten uit Oosterlauwers Friesland.[3] Hij kwam terug toen de rust weerkeerde.
Begin jaren 90 van de 8e eeuw kreeg Liudger op instigatie van koning Karel de Grote een nieuwe missietaak; de kerstening van het toen net gepacificeerde Saksenland. Tussen 794 en 800 verkreeg hij grondbezit in Wichmond onder Zutphen en stichtte hij een kerk waar hij relieken van Sint Salvator (meegenomen uit Rome) onderbracht. De Wichmondse kerk stond op de rand van het Frankisch gezinde en al deels gekerstende gebied 'Hamaland'. Vandaar ging de kersteningstocht verder via onder meer Zelhem (801) en Billerbeck naar zijn nieuw op te richten missiepost in Mimigernaford dat hij omdoopte tot Monasterium (= klooster, nu Münster). In 805 werd hij door de aartsbisschop van Keulen, Hildebold, als eerste bisschop van Münster ingewijd.
Bij het Münsterse diocees hoorde het huidige Münsterland en een deel van de oostelijke Achterhoek, verder het land rond Essen-Werden. Ook de Groninger gouwen hoorden bij dit diocees. Deze territoria lagen dus erg verspreid.
Beeld van de ontmoeting van Liudger en Bernlef
in de kerk van Lochem, Gelderland
Een belangrijke rol in de verbreiding van Liudgers bekendheid heeft volgens zijn levensbeschrijving door zijn neef Altfridus de genezing van de blinde bard, Bernlef, gespeeld. Tijdens een van zijn reizen door het Groningerland ontmoette Liudger deze dichter in Helwerd. Hij trachtte Bernlef tot het christendom te bekeren. Bernlef zei daarop tegen Liudger: "Als uw God zo machtig is, toon mij dan een teken". Liudger legde daarop zijn handen op de ogen van de bard en sprak een gebed uit, waarna de blinde man weer kon zien. Het verhaal van deze genezing zou als een lopend vuurtje rond zijn gegaan.
Het verhaal van Liudger en Bernlef wordt onder andere verbeeld op een van de gedenkramen in het Academiegebouw van de Groninger universiteit.

Raam van Johan Dijkstra in het
Academiegebouw in Groningen
met Liudger en Bernlef.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten