Scholtengoederen
In Gelre kende men graven, hertogen, adel, kerken en kloosters als grondbezitters. Daarvoor bestond een ingewikkeld leenstelsel waarbij rentmeesters weer als toezichthouders werden aangesteld.
Het leenstelsel, leenwezen of feodaal stelsel is een historische rechtsfiguur waarbij een grootgrondbezitter de rechten als eigenaar van de grond in bruikleen gaf aan derden in ruil voor betalingen en diensten die konden variëren van grondbewerking, hand-en-spandiensten tot politieke en militaire trouw. Basis was een privaatrechtelijke overeenkomst, het feodale contract. Op basis daarvan ontwikkelde zich in de loop der eeuwen in grote delen van wat nu Europa is, ook allerlei verschillende bestuursvormen. De grondeigenaar of degene die het bezit van de grond in leen had gekregen, maakte dan afspraken over de manier waarop het gebied en de bewoners bestuurd mochten worden. Er is nooit sprake geweest van één leenstelsel of van één soort afspraak, er bestonden door de eeuwen heen, in verschillende tijden en verschillende regio's veel verschillende gebruiken en leenrechtsystemen. Ook het bekende feodale leenstelsel van de Europese middeleeuwen, bekend als feodalisme, kende veel verschillende vormen.
Het feodalisme of de feodaliteit (van het Latijnse feudum of leen) is het gelaagde machts-, bestuurs- en samenlevingssysteem gebaseerd op een leenstelsel, dat zich in grote delen van Europa ontwikkelde na de Val van het West-Romeinse Rijk (circa 500). Het feodalisme was het maatschappelijke systeem dat de gehele middeleeuwen gehandhaafd bleef. Het belangrijkste kenmerk is dat grondgebied door de eigenaar of houder in gebruik wordt toebedeeld aan anderen, waarbij bindende afspraken worden gemaakt over wederzijdse rechten en verplichtingen: de feodale overeenkomst. Degene die grond onder voorwaarden in gebruik gaf werd leenheer genoemd, en de ingebruiknemer vazal of leenman. De ontwikkelingen en gebruiken verschillen van streek tot streek en gedurende de verschillende tijdsperioden binnen de middeleeuwen. Met de feodaliteit ontwikkelde zich de standenmaatschappij van het late Karolingische rijk.
De Frankische koningen baseerden oorspronkelijk hun macht vooral op jaarlijkse militaire veldtochten waardoor met geweld gebiedsuitbreiding tot stand kwam en bewoners angst aangejaagd werd om te gehoorzamen aan het gezag. Militaire aanvoerders die overleefden werden beloond met een deel van de gebiedsaanwinsten dat ze in leenrecht ontvingen. Toen onder Karel de Grote alle begeerde gebieden door oorlogsvoering ingelijfd waren was het rijk veel te groot geworden om vanuit een centraal punt efficiënt te besturen. Als communicatiemiddel reisde hij persoonlijk rond om zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse te innen of op te laten slaan, want veelal werden ze in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig en de koning vond een andere manier om zijn edelmannen aan zich te binden, door hen bestuurlijke rechten te gunnen verbonden met de grond die ze in leen hadden. Zo gingen leenheren plaatselijke bestuurlijke functies vervullen als schout of stadhouder en mochten ze in die functie plaatselijke verordeningen opstellen en rechtspreken. Uit deze klasse ontstond de adelstand.
In het Graafschap Zutphen kende men sinds de 10e eeuw een afwijkend stelsel, dat tot in de 18e eeuw gebruikt zou worden. Horigheid en het Lohnse hofrecht.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten